Soms breekt mijn klomp. De provincie Friesland kiest voor elektrisch aangedreven bussen uit China! Dat terwijl twee Nederlandse bedrijven, VDL en Heijmans, ook zulke schone bussen in de aanbieding hebben! Hoe is dit mogelijk?!

Door Ineke Dezentjé

De Nederlandse overheid heeft miljoenen aan innovatiesubsidies gestoken in de ontwikkeling van de elektrisch aangedreven bus en Nederland loopt, samen met China, voorop in de ontwikkeling van dit schone vervoermiddel.

Den Haag belooft steeds weer dat zij haar taak als launching customer serieuzer zal nemen. Dat zou moeten betekenen dat de overheid meer in Nederland ontwikkelde en geproduceerde innovaties aankoopt.

Ook zou bij het aanbestedingsbeleid veel meer moeten worden gekeken naar de ‘total cost of ownership’ en niet alleen naar de aanschafprijs. Want wie verstandig is, kijkt ook naar de kosten en baten op termijn.

Wat te denken van de werkgelegenheid die de bouw van deze elektrische bussen in Nederland zou opleveren plus de meerjarige service en onderhoud.

Schiphol

In de huidige economische situatie en met de verwachtingen rond oplopende werkloosheid in de komende jaren, lijkt me dat een belangrijke overweging om mee te nemen in die kosten-batenanalyse. Een uitdaging ook voor Schiphol – met de overheid als belangrijk aandeelhouder – dat zestig elektrische bussen nodig heeft.

Wat bedrijven verder steekt is dat buitenlandse bedrijven zonder vestiging in China niet de Chinese markt opkomen door invoerrechten van soms honderd procent, terwijl andersom de Chinezen gewoon mogen meedoen aan Nederlandse aanbestedingen.

Brazilië

Ik heb dat signaal vaker gekregen, bijvoorbeeld van bedrijven die in Brazilië aan de bak proberen te komen. Een schip van Nederlandse makelij naar Brazilië exporteren is niet te doen vanwege de hoge importtarieven, dus moet er lokaal worden geproduceerd.

Daar profiteert de werkgelegenheid in Nederland dus ook niet van. FME gelooft niet in protectionisme, uiteindelijk is vrije wereldhandel ook in het belang van onze Nederlandse bedrijven, maar we willen natuurlijk wel een eerlijk speelveld.

Dat brengt me op het volgende probleem. De Chinezen concurreren met een flinke dosis staatssteun in de achterzak, die Nederlandse bedrijven niet hebben. Enkele weken geleden heeft een high level commissie een advies uitgebracht over exportfinanciering, waaruit blijkt dat Nederland hierin nog veel kan verbeteren.

Niet door onbeperkt staatssteun aan Nederlandse bedrijven te bieden, maar door ruimere garanties voor exportfinanciering. De concurrentieregels die de OESO hiervoor heeft opgesteld bieden die ruimte.

Minister van buitenlandse handel

Ik pleit er al langer voor om een krachtige minister van buitenlandse handel te benoemen, die dit soort handelsbelemmeringen stevig gaat aanpakken. Via de ‘Koninklijke route’ (de WTO en bilaterale handelsakkoorden), maar ook door de Chinezen hier rechtstreeks op aan te spreken.

Dat red je niet met een parttime staatssecretaris zoals in de afgelopen kabinetsperiode, daarvoor heb je zware doorzettingskracht nodig, dus een zwaargewicht op het allerhoogste politieke niveau.

Kortom: We moeten, ook de komende kabinetsperiode, gaan voor de Nederlandse industrie en haar mooie bedrijven. We moeten de ruimte benutten die mogelijk is om exportfinanciering te verbeteren.

We moeten de kansen grijpen en belemmeringen aan de orde stellen. En een veel actiever industriebeleid voeren. Want we zijn toch geen Gekke Henkie?

Ineke Dezentjé is voorzitter van FME, de brancheorganisatie voor de technologische industrie