Hoewel loonmatiging in het verleden goed heeft uitgepakt, verergert zij nu alleen maar de problemen waar we voor staan en biedt zij geen uitweg uit de crisis.

Door Ruth van de Belt en Hans Stegeman

Loonmatiging heeft ons veel gebracht. Vanaf de Tweede Wereldoorlog was zij gedurende lange perioden onderdeel van het Nederlandse sociaaleconomische beleid. In de jaren tachtig bevonden de winstgevendheid en solvabiliteit van het bedrijfsleven zich op een dieptepunt, mede door een uit de hand gelopen loonstijging in de jaren zeventig.

De internationale concurrentiepositie was hierdoor verzwakt en de lopende rekening van de betalingsbalans vertoonde hierdoor een tekort.

De werkloosheid was sterk gestegen en dreigde verder toe te nemen door een sterke stijging van het arbeidsaanbod. Loonmatiging, in 1982 ingezet met het Akkoord van Wassenaar, was verstandig om de loonkosten meer in lijn te brengen met de arbeidsproductiviteit.

Het negatieve effect van loonmatiging op de particuliere bestedingen werd op de koop toegenomen.

Andere oplossingen

Anno 2012 kampt Nederland met andere structurele problemen, die ook om andere oplossingen vragen. De winstgevendheid van het bedrijfsleven is op peil; er is volgens De Nederlandsche Bank sprake van een onhoudbare recordomvang van het overschot op de lopende rekening en de werkloosheid is relatief laag. Het belangrijkste probleem is de hoogte van de schuld van zowel de overheid als van huishoudens.

Het bevriezen van ambtenarensalarissen is op korte termijn voordelig voor de schuldafbouw bij de overheid, maar op (middel)lange termijn wordt de rekening alsnog gepresenteerd, zoals het CPB na doorrekening van het Lenteakkoord concludeert.

De hoogte van de lonen in de private en collectieve sector zijn namelijk van elkaar afhankelijk, waardoor ze nooit langdurig uiteen kunnen lopen. Na een paar jaar moeten de lonen bij de overheid weer harder stijgen dan in de marktsector, omdat de overheid op de arbeidsmarkt moet concurreren om de steeds schaarser wordende werknemer.

Koopkracht

Conjunctureel gezien is het eveneens onverstandig om de lonen te matigen. De Nederlandse economie stagneert door de zowel in historisch als in internationaal perspectief uiterst zwakke binnenlandse bestedingen. Doordat de overheid bezuinigt, daalt de koopkracht en houden gezinnen geen geld over voor schuldafbouw. Loonmatiging lokt extra vraaguitval uit. Dit moeten we, in tegenstelling tot de jaren tachtig, niet voor lief nemen.

Ook economisch beleid gericht op het groeivermogen op langere termijn is niet gebaat bij loonmatiging. Door loonmatiging blijft arbeid ten opzichte van andere productiefactoren relatief goedkoop.

Hierdoor worden bedrijven niet geprikkeld om te investeren in onderzoek en vindt er minder innovatie plaats, waardoor de structurele groei van de arbeidsproductiviteit wordt belemmerd. Het draagt evenmin bij aan de verbetering van onze exportpositie, aangezien Nederland in een segment van de wereldmarkt concurreert waar de prijs vaak niet de doorslaggevende factor is.

Het is de verkeerde tijd voor loonmatiging. We moeten juist afkicken van deze verslaving.

Ruth van de Belt en Hans Stegeman zijn econoom bij Rabobank