Juist in deze crisistijden moet fors worden geïnvesteerd in een groene economie. Vijf eisen aan een groene industriepolitiek. 

Door Jan Rotmans

Een groene economie genereert veel werkgelegenheid, duurzame innovatie en economische structuurversterking. Zo levert het energieneutraal maken van de Nederlandse woningvoorraad zo’n 50.000 banen per jaar op; geeft de bouw een enorme impuls, leidt tot een waardevermeerdering van het vastgoed van circa 5 procent en leidt tot een forse kostenreductie voor huurders en eigenaars, die uiteindelijk veel minder gaan betalen voor energie.

Kansen

Een groene economie biedt voor Nederland als delta unieke kansen om een nieuwe maak- en kennisindustrie te ontwikkelen rondom duurzaamheid met als speerpunten: deltatechnologie, schone energie, duurzaam bouwen, groene chemie en duurzame kennis en diensten.

Rondom deze nieuwe maak- en kennisindustrie kunnen op grote schaal combinaties ontstaan van leren, werken en ondernemen, campussen waar bedrijven en scholen samenwerken en waar leerlingen onderwijs krijgen in alle aspecten van duurzaamheid en die tegelijk in de praktijk brengen.

Investeren

Dit vraagt om een industriepolitiek nieuwe stijl: een pro-actief en consistent beleid dat investeert in veelbelovende duurzame sectoren. Geen ouderwetse, defensieve industriepolitiek uit de jaren 70 en 80 waarbij miljarden werden geïnvesteerd in noodlijdende takken die alsnog ten onder gingen, zoals textiel, scheepvaart (RSV) of vliegtuigindustrie (Fokker).

Ook geen topsectorenbeleid dat, nogal conservatief, inzet op wat al sterk is en de vooral de gevestigde belangen vertegenwoordigt van de grote industriële spelers. Of een versplintering van slappe green deals op projectniveau zonder opschalingsmogelijkheden.

Wat houdt zo’n groene industriepolitiek nieuwe stijl dan wel in?
1. Allereerst een consistent beleid voor de duurzame maak- en kennisindustrie van de toekomst vanuit een langetermijnvisie.
2. Een investeringsfonds is nodig om strategisch te investeren in duurzame innovatie, zoals Frankrijk en Duitsland ook al doen. Een belangrijk deel van de FES-gelden zou hiervoor kunnen worden aangewend.
3. Investeren in kansrijke duurzame nichesectoren, zoals groene chemie, schone energie, duurzame bouw, watertechnologie en duurzame landbouw.
4. Regionale clustering van bedrijven, kennisinstellingen en overheden is belangrijk: de duurzame sectoren van de toekomst zijn vaak regionaal gebonden, dus de afstemming tussen nationaal en regionaal beleid is van vitaal belang.
5. Modern leiderschap van de overheid: de overheid heeft niet de regie, maar stimuleert en faciliteert en investeert in publiek-private samenwerkingsvormen.

Een groene industriepolitiek zou één van de kernthema’s van de aankomende verkiezingen moeten zijn. Met weer een sterk Ministerie van Economische Zaken, dat niet op de stoel van de ondernemer gaan zitten, maar wel voorwaarden schept voor duurzame innovatie. Een lerend ministerie dat durft te investeren in experimenten met duurzame technologie en kennis.

En een ministerie dat heldere keuzes maakt vanuit een toekomstvisie op de groene economie als nieuwe motor voor Nederland. En tot slot een daadkrachtige minister die leiding geeft aan de groene industriepolitiek.

Jan Rotmans is hoogleraar op het gebied van duurzaamheid en transities en internationale autoriteit op dit gebied. Hij is friskijker, dwarsdenker, kantelaar en zeer actief twitteraar: Twitter.com/janrotmans