Het nieuwe graaien

Ik wilde altijd ergens wonen waar niks gebeurt. Dus niet in een grote stad ‘waar men nooit slaapt’ en evenmin in een slaapstad, want daar gebeurt juist van alles. Daar zijn gemeentebesturen met ambities en meerjarenplannen.

Door Paul Verburgt

Wie dat leuk vindt, moet er vooral gaan wonen. Ik niet. Of beter, ik niet meer. Ik woonde in een forensendorp waar het oude centrum in het kader van de schaalvergroting opeens ‘oost’ heette en de voormalige weilanden ‘centrum’.

We bouwden aan onze toekomst en dus kwam er een nieuw gemeentehuis en de grootste meubelboulevard van Europa, het eerste inmiddels weer vervangen door een nieuw, het tweede intussen ontheemder dan de Sahara.

Ereteken

Noem me nostalgisch, verwijt me met mijn rug naar de toekomst te staan. Ik zal het dragen als een ereteken!

Uiteindelijk vond ik een huis in een dorp. Maar wist ik veel dat dorpen verboden waren! Binnen de kortste keren waren we verwikkeld in een fusieproces met een paar andere gemeenten. We moesten toekomstbestendig worden of zoiets en tegenwicht bieden tegen de nabij gelegen ‘grote’ stad.

En zo woon ik weer in een gemeente met ambities en meerjarenplannen. We praten over een nieuw gemeentehuis en we hebben een splinternieuw station, weliswaar op 4 minuten afstand van het centraal station van de nabij gelegen grote stad, maar wel helemaal voor onszelf.

Unilever

Toch lijkt het allemaal minder bedreigend dan in mijn vorige woonplaats. Ze noemen het een fusie, maar eigenlijk is het een federatie. Onze nieuwe stad heeft natuurlijk een nieuwe, uit het verleden opgedregde naam en zelfs een fantasiewapen, maar de ‘woonkernen’ heten nog als toen. We verhouden ons tot onze nieuwe overheid als een pot Calvé-pindakaas tot Unilever.

Eerlijk gezegd voel ik wel een zekere sympathie voor mijn nieuwe autoriteiten. Of mededogen, want veel ruimte voor ambitie is er niet. Niet meer.

Steevast kiest de vastberaden bevolking voor de meest conservatieve variant van n’importe welk plan. We vechten voor eendenkooien en ouderwetse scheepswerfjes alsof we in dienst zijn van Natuurmonumenten. Mag de toekomst hier een beetje lijken op het verleden, alsjeblieft?

Afval

Tegelijkertijd moet de bestuurlijke energie zijn uitweg vinden. Dat is een natuurwet. Dat zal de reden zijn dat onze gemeente veel energie besteedt aan een veilig onderwerp als ‘duurzaamheid’.

Zo hebben we bijvoorbeeld een gemeentelijk afvalbeleidsplan. U uit de grote stad kunt daarover een beetje gaan zitten giechelen, maar wij hier hechten daaraan. Wij houden van schone straten en geschrobde stoepen. Terwijl u tot aan uw oksels in het zwerfvuil waadt, rapen wij elk papiertje nog gewoon op.

Het lééft hier. Daarom houden we nauwkeurig in de gaten of we de gemeentelijke doelstelling inzake afvalscheiding halen. Welnu, ik kan u zeggen, dat gaat heel goed: 62,6 procent van al het afval wordt gescheiden, terwijl we uitgingen van 60 procent. Vraag me niet hoe dat wordt berekend. Voor mij telt vooral de positieve sfeer die van het cijfer uitgaat.

Ik kan u verzekeren dat het afvalconsumentenvertrouwen in mijn gemeente hierdoor een enorme boost heeft gekregen en dat is precies wat we in deze crisistijd nodig hebben.

Harde feiten

‘Het kan nog beter’ schreven de lokale autoriteiten ons. Ha, dat is taal die we willen horen. En omdat we hier elkaar niet met loze kreten bestoken, heeft de gemeente naar harde feiten gezocht om haar nieuwe doelen te onderbouwen. Wacht, ik pak even de officiële berichtgeving erbij. Hier heb ik het.

Kijk eerst even naar de foto: twee mannen in een soort ruimtepakken die in allerlei viezigheid staan te graaien, kennelijk afkomstig uit de naast hen opgestelde afvalcontainers.

Inzicht

‘We hebben steekproefsgewijs monsters genomen van restafvalcontainers van onze burgers’ aldus het bijschrift. ‘Geen prettig werkje, maar wel nodig om inzicht te krijgen in ons scheidingsgedrag.’

Pardon? Sinds wanneer en met welke bevoegdheid mag de gemeente in mijn afval kijken? Het is mijn afval! Privater kan niet. Moet ik soms gaan verantwoorden dat ik – zoals laatst – privé documenten niet bij de oude kranten heb gestopt?

Of dat ik het doekje waarmee ik het braaksel van mijn kleinkind heb opgeveegd, niet heb uitgewassen en gestoomd en al heb ingeleverd bij het textielstation?

Zijn ze helemaal krankjorum geworden! Stelletje graaiers.

Paul Verburgt was jarenlang directeur van organisaties in de publieke en private sector en werkt nu als adviseur vanuit zijn bedrijf Minimalmanagement. Hij schreef de boeken Bazenbargoens en Heel Herkenbaar. Volg hem ook op twitter: paulminimal.

Tip de redactie