Japan werd ooit door het Westen als een grote economische bedreiging gezien. Hoe is Japan in een muurbloem veranderd?

Door Fred Huibers | Het Haags Effektenkantoor

Japan heeft zich na de tweede wereldoorlog krachtig hersteld. Net als in Duitsland is de economie - met hulp uit de VS - uit het slop getrokken.

De gehavende zware industrie werd weer opgelapt en de hardwerkende en innovatieve Japanners hebben in bedrijfstakken als auto's, elektronica en machinebouw een sterke concurrentiepositie opgebouwd.

Marktaandelen

Het sterkste bewijs waren de forse marktaandelen die het land op de wererldmarkt wist te veroveren. Met bewondering werden de ecnonomische prestaties van Japan bekeken, met name omdat het land vrijwel niet beschikte over natuurlijke hulpbronnen zoals olie en gas.

In de beginfase werd er in het Westen wat meewarig gekeken naar producten waar "Made in Japan" op stond, maar gaandeweg groeide het besef dat Japanners meesters waren in het verfijnen van producten en veel geduld hadden met de marketing van deze producten.

Een bekend voorbeeld is de volharding waarmee de baas van Sony de voorloper van de iPod, de Walkman, introduceerde. Vooral binnen de eigen gelederen was de consensus dat de innovatie op de markt geen kans van slagen zou hebben. 

Er zijn meer voorbeelden van daadkracht en durf onder Japanse captains of industry uit die tijd, maar bitter weinig van recente datum. Waarom?

Explosief

Met name in de jaren tachtig groeide de Japanse economie als kool. Ook de beurskoersen en de prijzen van onroerend goed bereikten -althans volgens Westerse maatstaven - stratosferische hoogten.

Eind 1989 kwam een einde aan de schijnbaar ongeremde koersexplosie.De reden was dat de Japanse autoriteiten ingrepen in iets wat verdacht veel leek op een speculatieve bubbel. Dat het de centrale bank gelukt is om de animal spirits flink de kop in te drukken is buiten kijf. Zo goed zelfs, dat sinds die tijd de economie chronisch in een lethargische staat verkeert.

Groei is verwaarloosbaar en de bestedingen zijn zo ver teruggelopen dat er regelmatig sprake is van (bijna) deflatie. Die lethargie lijkt zich ook bij veel Japanse managers genesteld te hebben.

Leiders die gedurfde stappen willen nemen, worden geremd in een consensuscultuur waar de handhaving van de status quo de eerste prioriteit lijkt te zijn. Dat merken succesvolle Japanse topmanagers op die inmiddels met pensioen zijn.

Gevolgen

Die afwachtende houding is niet zonder gevolgen gebleven. Het rendement op geïnvesteerd vermogen is in Japan gemiddeld de helft van de norm in Westerse landen.

Het aantal Japanse bedrijven in de top 50 is sinds midden jaren negentig gehalveerd. Als de nood echt aan de man is, kan het onheil alleen afgeweerd worden door een volledige buitenstaander de leiding te geven. Dat is gebeurd bij Nissan en ook bij Sony.

Bij Nissan heeft Carlos Ghosn een omvangrijke reorganisatie moeten begeleiden. En bij Sony heeft de Brit Sir Howard Stinger de hete kolen uit het vuur moeten halen. Als Japan niet verder wil wegzakken, zal het land weer leiders van formaat de ruimte moeten geven.

Fred Huibers is partner bij Het Haags Effektenkantoor