De vermoorde vastgoedhandelaar Willem Endstra had problemen met meer criminelen en het is niet duidelijk wie uiteindelijk verantwoordelijk is voor zijn dood. Dat is donderdag de belangrijkste conclusie van het betoog van de advocaat van Willem Holleeder, Sander Janssen.

De verdediging kreeg tijdens de 32e zitting in De Bunker de gelegenheid om te bepleiten dat de voorlopige hechtenis van Holleeder in het zaaksdossier-Enclave, de moord op Endstra in 2004, moet worden opgeheven.

"Wij weten ook wel dat Holleeder niet vrijkomt als u ons verzoek inwilligt", richtte Janssen zich tot de rechtbankvoorzitter. "Maar het gaat ons erom aan te tonen dat er te weinig bewijs is voor de verdenking tegen onze cliënt."

Van een tactische zet was volgens hem geen sprake, maar het blijft juridisch slim gevonden. Een opheffingsverzoek kan namelijk niet geweigerd worden en biedt de verdediging de mogelijkheid om ruim uiteen te zetten waarom Holleeder volgens hen niet de opdrachtgever is van de liquidatie van Endstra op 17 mei 2004.

Het kwam erop neer dat Endstra zich in een positie had gemanoeuvreerd waardoor hij flink in de problemen was gekomen met verschillende zware criminelen. Niet alleen Holleeder, maar bijvoorbeeld ook John Mieremet en Stanley Hillis hadden hun geld geparkeerd bij de zakenman.

Interview met Mieremet sloeg in als een bom

Endstra werd in eerste instantie gezien als een 'betrouwbaar' persoon die zonder problemen zwart geld aannam en dit investeerde in vastgoed om later de winsten wit uit te keren.

Dit veranderde in 2002 toen Mieremet hem in een interview omschreef als 'bankier van de onderwereld'. Het verhaal sloeg in als een bom.

Banken wilden Endstra geen leningen meer verstrekken en zakenpartners lieten hem in de steek. Ook de criminele investeerders meldden zich met de boodschap dat ze hun geld terug wilden.

Holleeder met zijn advocaten in De Bunker in Amsterdam (foto: ANP)

Beschuldiging Holleeder schiet tekort

"En dan probeer ik niet te zeggen dat bijvoorbeeld Hillis of Mieremet verantwoordelijk zijn voor de moord op Endstra", verduidelijkt Janssen. "Helemaal niet zelfs, maar om alles in de schoenen te schuiven van Holleeder schiet tekort."

"Een persoon als Endstra met wie zoveel aan de hand was, die zoveel dreigingen tegen hem geuit zag worden. Dan kan je niet zeggen: 'jij (Holleeder red.) hebt hem afgeperst en dus heb je hem vermoord'."

Endstra wees zelf naar Holleeder

Dat Endstra Holleeder zelf wel aanwees als de kwade genius in de gesprekken die hij vanaf 2003 voerde met de politie, moet volgens Janssen met veel zorgvuldigheid worden benaderd.

"Want in diezelfde gesprekken spreekt hij van een normale relatie met Mieremet, van wie er sterke aanwijzingen waren dat hij Endstra afperste", legt de advocaat uit. "Dat hield niet op met de dood van de zakenman, maar ging door met het in niet mis te verstane woorden onder druk zetten van zijn broer Haico."

Geen hard en direct bewijs

Janssen wees er donderdag op dat er vanuit het oogpunt van de verdediging geen enkel hard en direct bewijs is in deze zaak. Zo is er geen koppeling te maken tussen de vermeende uitvoerders van de liquidatie van Endstra zelf en Holleeder.

De mogelijke betrokkenen bij de moord werden in 2016 vrijgesproken door de rechtbank in Amsterdam en de zaak dient nu in hoger beroep. 

Zaak gaat verder met aanslag en moord op Mieremet 

"En als je iemand wilt vasthouden, dan moet er toch minimaal één aanknopingspunt zijn waardoor je zegt: Holleeder is de opdrachtgever van de moord op Endstra", sloot Janssen af. "Maar wij zien geen enkel bewijs en daarom verzoeken we de rechtbank de voorlopige hechtenis op te heffen."

Het Openbaar Ministerie (OM) mag donderdag 13 september reageren op het verzoek. Wanneer de rechtbank een beslissing neemt is niet duidelijk.

Vrijdag gaat de zaak tegen Holleeder verder met de behandeling van de aanslag op Mieremet in 2002 en zijn uiteindelijke liquidatie in 2005.