In januari dit jaar zaten olieprijzen en aandelenkoersen aan elkaar vastgeklonken. Als de olieprijs daalde, daalde de beurs en omgekeerd. Analisten zijn verdeeld over de vraag of de lage olieprijs goed of slecht is voor de beurs en de economie.

De daling van ruwe-olieprijzen ging in 2015 niet gepaard met een grote schok op de beurs. De wereldwijde MSCI-Index voor aandelen verloor afgelopen jaar slechts een kleine drie procent, terwijl bijvoorbeeld Brent-olie 35 procent goedkoper werd.

Bij de start van dit jaar gebeurde er iets heel anders: in de eerste drie weken van de maand tuimelde de MSCI-Wereldindex met meer dan 10 procent, om daarna iets te herstellen en het maandverlies te beperken tot iets minder dan 6 procent.

De beweging van aandelen volgde in januari vrijwel exact die van de olieprijs: een vat Noordzee olie kostte begin januari 38 dollar, de prijs zakte naar minder dan 28 dollar op 21 januari en afgelopen vrijdag herstelde de olieprijs tot ongeveer 34 dollar per vat

Olieprijs en aandelen

Beursanalisten en economen vragen zich af hoe het komt dat aandelen en olieprijzen plots zo sterk in tandem bewegen. Grofweg zijn er drie redenen aan te voeren.

Lagere olieprijzen zijn slecht voor bedrijven uit de olie- en gassector en die wegen vaak zwaar mee in beursindices. Zo had Shell begin januari een weging van bijna 13 procent in de Amsterdamse AEX-Index, waardoor een koersdaling van Shell behoorlijk aantikte voor de AEX.

Investeringen

Een breder economisch gevolg van de malaise in de oliesector is dat westerse olie- en gasbedrijven hun investeringen terugschroeven en dat heeft negatieve economisch effecten. Hetzelfde geldt voor grote olieproducerende landen in het Midden-Oosten, en ook Rusland, die de staatsinkomsten uit olie fors zien kelderen.

De derde factor die mee speelt is dat olieprijzen soms als een bredere indicator worden gezien voor de wereldwijde vraag naar energie en daarmee iets zeggen over de mondiale economische vooruitzichten. Dit speelt bijvoorbeeld in China: als de Chinese economie verzwakt, slurpt China minder gulzig energie.

Hoofdeconoom Han de Jong van ABN Amro luidde afgelopen week in een rapport de noodklok over de lage olieprijs. 

“Ik had nooit gedacht dat ik zou hopen op, laat staan bidden om, hogere olieprijzen, maar dat doe ik nu wel. Lage olieprijzen zijn goed voor landen die netto energie importeren, zoals de landen in de eurozone. De zwakke oliemarkt lijkt echter zeer grote negatieve gevolgen te hebben voor de wereldwijde economische en financiële stabiliteit en voor risicovolle beleggingen.”

Overreactie

De mening van De Jong is echter niet onomstreden. Het traditionele tegenargument wordt immers niet ontkracht: voor westerse, olie-importerende landen betekenen lagere olieprijzen per saldo koopkrachtwinst. Plat gezegd: wat consumenten besparen aan lagere tankkosten, kunnen ze uitgeven aan Magnum-ijsjes van Unilever en duurdere databundels bij KPN. Het netto economisch effect hiervan is meestal positief.

Cambridge-econoom Kamiar Mohaddes stelt in The Financial Times dat sprake is van een overreactie op financiële markten. “De effecten van een enorm overaanbod zijn zichtbaar in de olieprijs, maar het wordt gezien als een probleem dat van de vraagzijde van de economie komt.”

Als Mohaddes gelijk heeft en de wereldeconomie niet kampt met serieuze vraaguitval, moet er ook een einde komen aan de koppeling van olieprijzen en aandelenkoersen. Bij laag blijvende olieprijzen zouden westerse beleggers per saldo positiever moeten worden.