RIJSWIJK - In de meeste gevallen van legionellabesmetting lukt het niet om een bron te vinden. In hoeveel gevallen dat wel het geval is, is niet precies bekend, maar het gaat om "een kleine minderheid". Dat zei dinsdag Roel Coutinho, directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding.

De legionellabacterie zit in kleine waterdeeltjes, die door mensen worden ingeademd. Volgens Coutinho gaat het vaak om "een sporadische besmetting", waarbij een of enkele personen besmet zijn. "Het is dan toch wel heel erg lastig om een bron te vinden."

Incubatietijd

Maar ook in gevallen waarbij meerdere personen de ziekte hebben, zoals nu in Amsterdam, lukt dat lang niet altijd. Dat komt doordat de incubatietijd, de tijd tussen de besmetting en het moment waarop iemand de ziekte krijgt, niet vaststaat. Onderzoekers moeten daarom nagaan waar een zieke in de voorafgaande twintig dagen is geweest.

Ze moeten bovendien rekening houden met de windrichting. Door de wind kunnen mensen het virus ook op een afstand van de bron oplopen. Per jaar komen in Nederland ongeveer tweehonderd tot driehonderd meldingen van legionella voor. "Maar in werkelijkheid zal het aantal besmettingen hoger liggen, want niet alle gevallen worden gemeld", aldus Coutinho.

Bovenkarspel

Tot 1999 waren er in Nederland jaarlijks nog maar ongeveer vijftig meldingen. In dat jaar brak onder bezoekers van de Westfriese Flora in Bovenkarspel legionella uit. Er overleden 32 mensen. "Sindsdien is men in Nederland veel alerter op de ziekte", volgens Coutinho. Bovendien zijn de methoden om een diagnose te stellen verbeterd. Het echte aantal besmettingen is volgens hem niet toegenomen.

Ongeveer van de helft van de legionellabesmettingen vindt plaats in het buitenland, als mensen op vakantie zijn. Het is dan ook niet verassend dat er in de zomer, als de meeste mensen weggaan, een piek te zien is in het aantal meldingen. Het aantal besmettingen is dit jaar volgens Coutinho niet groter dan normaal.