'Huisarts moet longziekten opsporen'

UTRECHT - Huisartsen zouden op zoek moeten naar rokers met longklachten. Een preventief bevolkingsonderzoek bij rokers tussen 45 en 64 jaar naar longemfyseem of chronische bronchitis, kortweg COPD, heeft geen zin. Opsporing van COPD via de huisarts is economisch gezien gunstiger.

Dit concludeert huisarts Roeland Geijer na onderzoek tussen 1998 en 2003 aan het UMC Utrecht. Geijer promoveert donderdag op dit onderzoek.

Drie op de tien rokers van middelbare leeftijd hebben volgens het onderzoek zonder het te weten een lichte vorm van COPD. Bij één op de twaalf rokers uit deze groep ontwikkelen de klachten zich binnen vijf jaar verder tot 'matig ernstige' COPD.

Preventief

Via een bevolkingsonderzoek zouden in een jaar 195 duizend nieuwe gevallen van overwegend lichte COPD worden gevonden. Actieve opsporing bij rokers die de huisarts bezoeken met klachten over de luchtwegen levert 78 duizend nieuwe gevallen op per jaar. Een preventief bevolkingsonderzoek is duurder. Daarom is het economisch gunstiger COPD op te sporen via de huisartsen, concludeert Geijer.

Geijer had verwacht dat een bevolkingsonderzoek voordeliger zou uitpakken. "Maar met opsporing via de huisartsen is toch een stuk minder geld gemoeid. Na verloop van tijd komen rokers met klachten toch bij de huisarts en bereik je zonder extra kosten alsnog de hele groep. Het kan alleen wat langer duren. Bovendien is het rendement hoger omdat bij rokers die met klachten bij de huisarts komen de kans op COPD groter is."

Leeftijd

Ook andere factoren verhogen de kans op COPD bij rokers. Dat zijn een hoge leeftijd, roken voor je zestiende en klachten over bijvoorbeeld hoesten. Rokers met deze klachten moeten volgens Geijer zo snel mogelijk stoppen omdat ze grote kans lopen op ernstige longklachten.

Dagelijkse nieuwsbrief

Dagelijkse nieuwsbrief
Elke ochtend rond 6.00 uur weten wat het nieuws wordt?

NUwerk

Tip de redactie