AMSTERDAM - Bij de naoorlogse generatie spelen wel problemen die te maken hebben met het oorlogsverleden van de ouders. Dat zeggen deskundigen donderdag in Trouw. Ze reageren op de uitlatingen van psychiater Arend Veeninga in het maandblad Geestelijke volksgezondheid dat er geen enkele bewijs is voor 'secundaire traumatisering'.

Een grote groep voelt zich volgens Toine Driessen van Centrum '45 'waarschijnlijk geschoffeerd door deze conclusie." Marian Meeks van de Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers stelt dat het 'buiten kijf' staat dat er mensen zijn die een trauma van hun ouders hebben overgenomen. "We hebben hier veel te maken met mensen die zelf nooit de oorlog hebben meegemaakt, maar wel de ervaringen van hun ouders herbeleven, die vaak angstdromen hebben."

Praktijk

Ook directeur Hans Vuijsje van het Joods Maatschappelijk Werk is verbaasd. "Het strookt in elk geval niet met de ervaring die wij hebben opgedaan in de praktijk."

Veeninga stelt in het maandblad dat het omgaan met een getraumatiseerde partner, patiënt of kind 'zwaar' kan zijn. Maar het verschilt volgens hem niet wezenlijk van het omgaan met iemand die bijvoorbeeld lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis. De beeldvorming over slachtofferschap is volgens Veeninga de oorzaak van de populariteit van de theorie van secundaire traumatisering.

Erkenning

Slachtoffers zouden hierdoor erkenning en begrip krijgen. Veeninga roept in het blad op tot meer onderzoek naar 'de persoonlijke kwetsbaarheid van mensen die nauw betrokken zijn bij slachtoffers van de gevolgen van oorlog en geweld'.

Serieus

Driessen kan zich daar niet in vinden. "Veel van deze mensen zijn lang niet serieus genomen, omdat ze zelf de oorlog niet meemaakten", zegt hij in de krant. "We moeten iets met deze mensen als groep. Dat lijkt een goede basis voor behandeling."