AMSTERDAM - Verloskundigen en gynaecologen moeten sneller in actie komen als ze vermoeden dat een foetus achterblijft in groei. Daardoor kunnen ze mogelijk sterfte van baby's voor en vlak na de geboorte helpen voorkomen. Die aanbeveling doet gynaecoloog in opleiding Marianne Alderliesten in haar proefschrift waarop ze donderdag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert.

Het is niet zeker dat betere opsporing van achterblijvende groei de sterfte ook daadwerkelijk vermindert. Als een verloskundige bij het bevoelen van de buik vermoedt dat het kind niet goed groeit, kan ze de zwangere vrouw naar een gynaecoloog verwijzen, die een echo maakt. Ook met een echo-onderzoek worden soms toch nog kinderen met groeivertraging gemist. Het beter in de gaten houden van de groei van mogelijke 'risicobaby's' is wel een eerste vereiste om de kans op overlijden te verminderen, vindt de promovenda.

Sterfgevallen

Alderliesten onderzocht 137 sterfgevallen van kinderen voor en vlak na de geboorte in de regio Amsterdam. Op een totaal van bijna 7000 bevallingen in de onderzochte periode van negen maanden was het sterftepercentage van het kind vanaf de zestiende week van de zwangerschap bijna 2.

Onder de Nederlandse vrouwen onder hen lag het lager (1 procent), onder allochtone vrouwen beduidend hoger. Bij 4 procent van de Surinaamse, 2,7 procent van de Turkse, 2,2 procent van de Marokkaanse en 2,5 procent van andere niet-Westerse (vooral Ghanese) vrouwen eindigde de zwangerschap in de dood van de baby.

Zwangerschap

Van de 88 gevallen waarin het kind vanaf 23 weken zwangerschap tot een maand na de geboorte was overleden, had in 33 procent tekortschietende zorg mogelijk of waarschijnlijk bijgedragen tot het overlijden. Die kwam in 42 procent van de gevallen voor rekening van de gynaecoloog en in 23 procent voor die van de verloskundige. In 29 procent van de gevallen had de moeder zelf een aandeel doordat ze zich bijvoorbeeld pas laat in de zwangerschap bij de verloskundige meldde of laat aan bel trok nadat ze geruime tijd geen leven meer had gevoeld.

Uit een enquête onder ruim 8000 zwangere vrouwen bleek dat allochtone vrouwen aanzienlijk later voor hun eerste zwangerschapscontrole bij de verloskundige komen dan Nederlandse vrouwen. Na 16,6 weken is 90 procent van de Nederlandse vrouwen op de eerste controle verschenen, terwijl dat voor 90 procent van de Ghanese vrouwen pas na 25 weken geldt.

Alderliesten spreekt van een "verontrustend etnisch verschil". Bij vrouwen die geboren zijn in niet-Westerse landen waar geen Nederlands wordt gesproken, is dat te verklaren uit slechte beheersing van het Nederlands, lage opleiding en het vaak voorkomen van tienerzwangerschappen.

Uit vergelijkende onderzoeken is in de afgelopen jaren gebleken dat de babysterfte in Nederland hoger ligt dan in andere Europese landen. De Tweede Kamer heeft minister Hoogervorst (Volksgezondheid) opdracht gegeven om onderzoek te laten doen naar de oorzaken daarvan.