Momenteel leven er nog zestig soorten niet-vliegende vogels op aarde, maar in de afgelopen 126.000 jaar zijn er ook 166 dergelijke vogelsoorten uitgestorven, de meeste daarvan door menselijk toedoen. Dat schrijven Zweedse en Britse onderzoekers in het befaamde wetenschappelijke vakblad Science Advances.

"Vandaag de dag zouden er minstens vier keer zoveel niet-vliegende vogels kunnen zijn, als er minder menselijke invloeden waren geweest", zo stellen de onderzoekers. Soorten die tegenwoordig nog leven zijn bijvoorbeeld pinguïns, struisvogels en de kiwi.

Sinds het late pleistoceen (126.000 jaar geleden) zijn er 581 verschillende vogelsoorten uitgestorven. 166 daarvan konden niet vliegen.

Die 166 is veel meer dan volgens de biologen eerder altijd werd gedacht in wetenschappelijk onderzoek. Lange tijd werd gedachten dat aanzienlijk minder vogels bestonden die niet konden vliegen, maar uit fossielen en verschillende gegevens uit de geschiedenis is het tegendeel gebleken.

Vogels die niet vliegen zijn makkelijke prooi

Vogelsoorten verliezen hun vermogen om te vliegen doordat zij bijvoorbeeld op eilanden leven waar zij geen natuurlijke vijanden hebben. Zodra menselijke reizigers echter bij die eilanden aanmeren en aan land gaan, zijn de vogels makkelijke prooien voor deze mensen en de katten en ratten die zij aan boord hebben meegenomen.

'Hotspots' voor deze soorten waren Nieuw-Zeeland (met 26 soorten, waarvan een deel is uitgestorven) en Hawaï (met 23 soorten die allemaal zijn uitgestorven).