Inheemse Amerikanen fokten kalkoenen voor hun verenvacht, die voor zowel praktische als religieuze doeleinden werd gebruikt. Dat schrijven Amerikaanse archeologen in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Archaeological Science. Ze onderzochten een honderden jaren oude verendeken afkomstig uit het zuidwesten van de Verenigde Staten.

Archeologen vonden een deken die bestond uit 11.500 aan elkaar geregen kalkoenveren. De deken was achthonderd jaar geleden gemaakt door de 'Pueblocultuur', die bestond uit inheemse stammen die leefden in de tegenwoordige Amerikaanse staten Arizona, Colorado, New Mexico en Utah.

De deken is 99 centimeter breed en 108 centimeter lang en werd gevonden in de staat Utah. De veren waren bevestigd aan een 180 meter lang touw. Om de deken te maken waren zeker vier tot tien kalkoenen nodig, menen de onderzoekers.

Verendekens houden goed warmte vast en waren volgens archeologen van groot belang voor mensen om op hogere hoogtes te gaan wonen. De meeste vroege inheems Amerikaanse nederzettingen stonden op 1,5 kilometer hoogte.

Onderzoekers concluderen dat deze stammen kalkoenen hebben moeten fokken om aan voldoende veren te komen. Vermoedelijk werden de vogels niet geplukt, maar werden veren opgeraapt wanneer deze natuurlijk uitvielen.

Veel kalkoenbotten werden ook zorgvuldig begraven, wat duidt op een cultureel of ritueel belang van de stammen.