Koloniale beelden liggen onder vuur. In de Verenigde Staten, Engeland en België hebben demonstranten al beelden omvergeworpen. In Nederland klinkt de roep om het beeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn van zijn sokkel te halen.

Kijk voor meer informatie op Wetenschap.nu

Door dit een 'beeldenstorm' te noemen, maken de media een historische vergelijking. De term verwijst naar een periode van beeldvernietiging in de zestiende-eeuwse Lage Landen. Die vergelijking is meestal niet positief bedoeld. Iconoclasten uit het verleden zouden als wilde vandalen nietsontziend cultureel erfgoed hebben vernietigd. Dit beeld klopt echter niet helemaal.

Al in de zestiende eeuw lieten beeldenstormers sommige beelden ongemoeid. Dit deden ze niet alleen uit praktische overwegingen, maar ook vanwege de waarde van de objecten. Stukken die ongeschonden uit de kerk waren verwijderd, kwamen terecht bij privéverzamelaars of in openbare ruimtes zoals het stadhuis.

Twee eeuwen later brak er met de Franse Revolutie een nieuwe periode van iconoclasme aan, waarin de revolutionairen symbolen van het ancien régime (het koningshuis, de adel en de kerk) uit de openbare ruimte verwijderden. De Fransen, trots op hun culturele positie, dachten goed na over het behoud van erfgoed. Dat leidde in 1790 tot de oprichting van de Monumentencommissie die objecten die het behouden waard waren, moest inventariseren en verzamelen in depots.

De idealen van het Louvre

De nieuwe Republiek wilde deze beelden ook zichtbaar maken voor het volk. Dat leidde tot de opening van openbare musea, waaronder het Louvre, het voormalige koninklijke paleis dat in 1793 open ging voor publiek. Het museum had zowel behoud als educatie tot doel.

De idealen van het achttiende-eeuwse Louvre kwamen in de praktijk niet altijd goed uit de verf. Hoewel het museum bedoeld was voor alle klassen, richtte het zich in de informatievoorziening voornamelijk op de bourgeoisie. De bezoeker werd geacht zelf het onderscheid te kunnen maken tussen een eigentijdse buste en een exemplaar uit de oudheid. Dat leidde er bijvoorbeeld toe dat mensen de wijsgeer Plato aanzagen voor een Franse hertog. Op sommige dagen was het museum alleen toegankelijk voor de relatief kleine groep buitenlandse bezoekers en mocht het Franse volk niet naar binnen.

Het omstreden standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn.

Het Louvre als politiek en koloniaal museum

Het Louvre was een nationalistisch museum. Bezoekers liepen eerst langs de Egyptische objecten, om vervolgens via Griekenland, Rome en de Renaissance bij de Franse schilderkunst uit te komen. Hiermee presenteerde het museum Frankrijk als hoogtepunt van de beschaving.

Daarnaast speelde het Louvre een rol in het tentoonstellen van koloniale buit. Napoleon liet het museum vullen met kunstwerken en archeologische vondsten. Die waren buitgemaakt tijdens zijn militaire campagnes in bijvoorbeeld Egypte, Italië en Nederland. Overigens zijn veel van deze objecten na Napoleons verbanning teruggegeven.

Jan Pieterszoon Coen in een museum?

Tegenwoordig stellen veel musea zich juist dekolonisatie tot doel, door goed na te denken over de verhalen die ze vertellen, de terminologie die ze gebruiken en de herkomst van stukken in de collectie. Daarbij hoort ook het erkennen en vertellen van de eigen koloniale geschiedenis.

Misschien staat Jan Pieterszoon Coen binnenkort als historisch erfgoed in een museum. Het zou in ieder geval niet de eerste keer zijn dat een museum ongewenste beelden huisvest en zichtbaar houdt voor het publiek.