In de Middeleeuwen biek de bakker nog broden. Als hij je dan een mislukt brood verkocht, dan kloeg je. Of anders loech je erom. Waar zijn al die oude sterke werkwoorden gebleven? En gaan de nog bestaande ook verdwijnen?

Ken jij de oud-Nederlandse werkwoorden? Doe de test van Quest!

In de Middeleeuwen had onze taal meer onregelmatige werkwoorden dan nu. Zo is er in die tijd bijvoorbeeld een gedicht gemaakt over een vos die Reinaert hiet (heette). Die deed alles wat God verboden had, maar hij loech (lachte) erom en wies (waste) zijn handen in onschuld.

Veel onregelmatige werkwoordsvormen zijn daarna uit onze taal verdwenen. Bried werd 'braadde' en biek 'bakte'. Zullen vormen als 'keek', 'nam' en 'at' uiteindelijk ook verdwijnen?

Klinkerverandering al 6.000 jaar oud

Oud zijn ze in ieder geval, die onregelmatige of sterke werkwoorden met hun fraaie klinkerveranderingen. Slaap, sliep. Eet, at. Drink, dronk. Komen ze uit de Germaanse talen waaruit het Nederlands ontstond? Nee, ze zijn veel ouder.

Je vindt zulke klinkerveranderingen ook in de Romaanse talen, in het Grieks en zelfs in het Sanskriet, de oude taal van India. Wat al die talen gemeen hebben met elkaar, is dat ze afstammen van het Oer-Indo-Europees, een taal die in de buurt van de Zwarte Zee werd gesproken.

De klinkerverandering is typisch Indo-Europees en al zo'n 6.000 jaar oud. Taalwetenschappers zijn tot die conclusie gekomen door op een ingenieuze manier 'terug te rekenen' vanuit de talen die nu gesproken worden. Hetzelfde deden ze vanuit de kennis over verdwenen talen waar nog oude teksten van zijn (zoals het Grieks, Hittitisch en Sanskriet).

Quarantinderen en toogviroloog: Hoe corona de taal verrijkte
271
Quarantinderen en toogviroloog: Hoe corona de taal verrijkte

'Praat deed' werd 'praatte'

De regelmatige verleden tijd met -te of -de (werkte, wandelde) is juist wél typisch Germaans. Die vorm moet ergens ontstaan zijn in het millennium voor de geboorte van Christus.

Al in de oudste, lange Germaanse tekst die we hebben, de Gotische bijbel uit de vierde eeuw, vinden we zowel onregelmatige als regelmatige verleden tijden. De regelmatige vorm is waarschijnlijk ontstaan door achter het werkwoord het woordje 'deed' te plakken. Dat sleet later af tot -de en -te.

'Alles kan verdwijnen'

De Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein vergeleek talen met steden. Ze hebben een oude binnenstad met kronkelige straten. Maar er zijn ook uitgestrekte, kaarsrechte buitenwijken. De onregelmatige, sterke werkwoorden behoren als het ware tot de oude binnenstad van het Nederlands. De regelmatige, zwakke werkwoorden behoren tot de gestroomlijnde buitenwijken van onze taal.

Zal die oude binnenstad overeind blijven de komende eeuwen? "Alles kan verdwijnen", zegt Joop , hoogleraar historische taalkunde in Leuven. "Maar áls ze al verdwijnen, dan zal dat buitengewoon langzaam gaan."

Want sterke werkwoorden zijn krachtig. Ze komen immers ontzettend vaak voor: eten, drinken, slapen. De zwakke werkwoorden zijn ook krachtig, omdat ze zo regelmatig zijn. Voorlopig kunnen die twee nog prima naast elkaar bestaan.

“Jonge kinderen zeggen altijd eerst slaapte in plaats van 'sliep'.”
Joop van der Horst

Zwak werkwoord wordt sterk

Bovendien gebeurde het de afgelopen eeuwen ook weleens dat een zwak werkwoord sterk werd. Vraagde werd vroeg. Fluitte werd floot. Vermijdde werd vermeed. Et cetera. Dat gebeurde naar analogie van bestaande vormen. 'Vroeg' is analoog aan 'droeg'. 'Floot' is analoog aan 'besloot'.

Ook zijn er een heleboel werkwoorden die op de wip zitten. Is het pleegde of placht? Jaagde of joeg? Waaide of woei? Dan zijn er nog regionale verschillen. In sommige delen van Nederland zeggen ze: 'We vreeën met elkaar.' In andere is het: 'We vrijden met elkaar.'

'Rammelen aan de ketenen der traditie'

Van der Horst: "Een collega-taalkundige schreef ooit over die sterke werkwoorden: 'Iedere nieuwe generatie rammelt aan de ketenen der traditie'. En zo is het ook. Jonge kinderen zeggen altijd eerst slaapte in plaats van 'sliep'. Iedere generatie doet dat en wordt vervolgens teruggefloten door de oudere generatie." Zolang dat gebeurt, zijn de sterke werkwoorden niet in gevaar.

De systematiek overwint

Waar ze wel bijna helemaal verdwenen zijn, is in het Afrikaans, de taal die zich in Zuid-Afrika ontwikkelde uit het Nederlands van de zeventiende eeuw. Daar zijn nog maar vier sterke werkwoorden over: kon, sou (zou), moes (moest) en wou. Van der Horst: "Als zo'n taal nauwelijks geschreven wordt en er komen opeens héél veel niet-moedertaalsprekers bij, ja, dan wint de systematiek het vaak van de onregelmatigheden."

Om sterke werkwoorden uit het Nederlands te laten verdwijnen zullen er dus veel meer niet-moedertaalsprekers van onze taal moeten zijn dan nu het geval is, en zullen we minder Nederlands moeten schrijven.

Ken jij de oud-Nederlandse werkwoorden? Doe de test van Quest!