De uitgestorven reuzenaap Gigantopithecus blacki blijkt verre familie te zijn van de hedendaagse orang-oetan, schrijven Chinese, Deense, Franse en Spaanse wetenschappers in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Ze kwamen tot die conclusie door onderzoek naar de onderkaak van de uitgestorven apen.

De 3 meter grote aap leefde 2 miljoen tot 300.000 jaar geleden en leefde vermoedelijk in Zuidoost-Azië.

De Duitse antropoloog, paleontoloog en geoloog Gustav Heinrich Ralph von Koenigswald 'ontdekte' de grote aap in 1935. Hij kocht toen een tand in een apotheek in Hongkong. De apotheker zou hem nog hebben geprobeerd wijs te maken dat het drakentanden waren. Na onderzoek concludeerde Von Koenigswald dat het om een 'nieuwe' prehistorische aap ging.

Sindsdien zijn er alleen stukken tand en kaak van de aap gevonden. Tot op heden zijn er niet meer onderdelen van de schedel gevonden, waardoor het niet mogelijk is om een reconstructie te maken. Ook is er nog geen DNA-materiaal van de aap aangetroffen. Hierdoor konden paleontologen maar moeilijk achterhalen aan welke soorten de Gigantopithecus blacki verwant is.

De Gigantopithecus blacki vergeleken met een mens en een orang-oetan. (Afbeelding: Wikimedia Commons/Discott)

Glazuur van kies bevatte antwoorden

Wetenschappers onderzochten een 1,9 miljoen jaar oude kies die was gevonden in een Chinese grot. Het glazuur van de kies bevatte eiwitten die de onderzoekers wel konden analyseren.

De paleontologen wisten niet alleen vast te stellen dat de kies van een vrouwelijke Gigantopithecus blacki was, maar ook dat de prehistorische aap behoorde tot de Ponginae-onderfamilie van mensachtigen. Tot de Ponginae behoort ook de hedendaagse orang-oetan, waarmee de Gigantopithecus een gemeenschappelijke voorouder heeft. Deze voorouder leefde twaalf tot tien miljoen jaar geleden.

Gedurende het midden- of het late mioceen, 16 tot 5,3 miljoen jaar geleden, splitste de reuzenaap zich af van andere Ponginae.

Techniek biedt mogelijkheden voor onderzoek naar menselijke evolutie

Dat de onderzoekers deze conclusies kunnen trekken op basis van eiwitten in een miljoen jaar oude kies is vrij uniek. Dergelijk onderzoek was tot voor kort alleen mogelijk bij fossielen van tienduizend jaar oud, die gevonden waren in warme, vochtige gebieden.

Met de nieuwe kennis over dergelijk onderzoek denken de paleontologen veel verder terug in de tijd te kunnen kijken. Zo kunnen ze bijvoorbeeld meer te weten komen over de evolutie van de mens.