Wanneer trekvogels hun lange vluchten maken in de lente en de herfst, moeten ze regelmatig tussenstops maken om te eten en te slapen. Wanneer deze vogels uitgeput zijn, slapen ze op een kwetsbaardere manier dan wanneer ze in een betere conditie zijn. Italiaanse, Duitse, Oostenrijkse en Zweedse onderzoekers beschrijven deze bevinding in het vakblad Cell Press.

Twee keer per jaar vliegen (onder meer) kleine zangvogels van hun overwinteringsplekken in Afrika naar hun broedplaatsen in Europa en andersom. Tot 80 procent van deze migratieperiodes kunnen bestaan uit rustperiodes, waar de vogels eten en slapen.

Terwijl de vogels uitrusten, blijven zij meestal deels alert en steken zij de kop recht vooruit. Tijdens de slaap zijn ze namelijk kwetsbaar voor roofdieren.

De vogels maken zichzelf nog kwetsbaarder wanneer ze echt uitgeput zijn, ontdekten de wetenschappers. Dan steken zij de kop onder de vleugels, waardoor ze niet op mogelijk gevaar kunnen letten.

Daar staat tegenover dat de vogels beter de warmte vasthouden wanneer ze zich instoppen en hun ademhaling en metabolisme vertraagt, waardoor ze minder energie verbruiken.

Tuinfluiters maken tussenstop op Italiaans eiland

De onderzoekers observeerden de zangvogelsoort tuinfluiters, ofwel de Sylvia borin, tijdens hun tussenstops op het Italiaanse eiland Ponza, ten westen van Napels. Tuinfluiters leven tijdens hun broedperiodes onder meer in Nederland en België.

De wetenschappers menen dat er weinig bekend is over het gedrag van trekvogels, behalve over hoe zij navigeren en welke routes ze nemen. Inzicht in het slaapgedrag van deze vogels geeft meer duiding over hoe de vluchten zijn ingericht en wat de belangen zijn van de tussenstops.