Het heelal dijt ongeveer 9 procent sneller uit dan wetenschappers tot nu toe dachten, blijkt uit nieuwe metingen van de Hubble-ruimtetelescoop.

Dit houdt in dat de nieuw gemeten snelheid 9 procent hoger is dan de snelheid waarmee het heelal kort na de oerknal groeide. Die wetenschappelijke kennis is gebaseerd op eerdere berekeningen van ESA's Planck-satelliet, die de groeisnelheid van het heelal berekende op basis van de straling die kort na de oerknal is uitgezonden.

Toch is het onderzoeksteam, geleid door astrofysicus en Nobelprijswinnaar Adam Riess, er behoorlijk zeker van dat de nieuwe resultaten kloppen. De kans op toeval varieert volgens hen tussen 1 op 3.000 en slechts 1 op 100.000.

Het onderzoeksteam had de resultaten niet verwacht. Om te begrijpen waarom het heelal sneller uitdijt, is volgens de wetenschappers dan ook meer onderzoek nodig. De nieuwe bevindingen zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Astrophysical Journal.

Hubble keek naar pulserende sterren

Om te berekenen hoe snel het heelal op dit moment groeit, maakten de onderzoekers gebruik van de zogeheten hubbleconstante, de waarde die de astronomie gebruikt om aan te geven hoe snel het universum uitdijt in een bepaalde tijd.

Om die hubbleconstante te meten, keken de onderzoekers naar zeventig pulserende sterren, ook wel cepheïden genoemd, die staan in de Grote Magelhaense Wolk, een naburig sterrenstelsel. Astronomen gebruiken dit soort sterren om afstanden in het heelal te meten, omdat ze steeds op voorspelbare snelheden oplichten en dimmen.

Bovengenoemde methode was echter altijd onwijs tijdrovend, de Hubble kon namelijk maar naar een ster tegelijk kijken. Maar met een nieuw ontwikkelde methode, genaamd DASH (Drift And Shift), konden de wetenschappers Hubble op meerdere pulserende sterren tegelijk richten.

Kans dat berekeningen niet kloppen 1,9 procent

De wetenschappers combineerden de Hubble-data met gegevens van sterren uit de Grote Magelhaense Wolk, die waren verzameld door een andere groep astronomen. Door deze twee meetgegevens samen te voegen, kwamen de onderzoekers tot een zeer precieze berekening van de hubbleconstante.

Om niets uit te sluiten zal het onderzoeksteam de hubbleconstante blijven verfijnen, totdat de onzekerheid is teruggebracht tot minder dan 1 procent. Op dit moment is de kans dat de berekeningen niet kloppen 1,9 procent.