De eerste bewoners van Noord-Amerika vingen vermoedelijk al zalm, zo blijkt uit een analyse van oude zalmbotten uit Alaska. 

De botten zijn ontdekt bij Upward Sun River, een plek waar eerder resten zijn gevonden van 'de eerste Amerikanen' die meer dan 10.000 jaar geleden via een landbrug vanuit Siberië naar Amerika zijn overgestoken.

Uit een DNA-onderzoek blijkt dat zalmresten uit dezelfde periode komen en ongeveer 11.500 jaar oud zijn.

Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Alaska Fairbanks in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

DNA

Normaal gesproken vergaan de botten van zalmen snel. Maar de in Alaska opgegraven resten van de vissen zijn waarschijnlijk begraven door mensen en daardoor goed bewaard gebleven. 

De wetenschappers slaagden erin het DNA van de botten te analyseren en achterhaalden op die manier dat het ging om chumzalm.

De botten worden beschouwd als de oudste zalmresten die ooit zijn geïdentificeerd. De vondst suggereert dat de eerste bewoners van Noord-Amerika goede vissers waren en zich in sommige periodes vooral richtten op de vangst van zalmen.

Speren

Hoe de eerste Amerikanen de vissen precies te pakken kregen, is onduidelijk. Maar volgens hoofdonderzoeker Chris Halfmann waren de reizende jagerverzamelaars in staat om netten, speren en vishaakjes te maken. Kortom: de dieren vormden waarschijnlijk een gemakkelijke prooi voor de oermensen.

"Zalmen onderscheiden zich van andere vissen doordat ze in bepaalde periodes heel veel voorkomen", verklaart Halffmann op nieuwssite New Scientist. "Verder zijn zalmen voorspelbaar qua gedrag én gemakkelijk te bewaren."

Tot nu toe werd aangenomen dat de eerste Amerikanen vooral bizons en andere grote dieren vingen. "Maar we vinden steeds meer bewijs dat hun dieet breder was en dat ze ook op kleine zoogdieren, vogels en vissen jaagden", aldus Halfmann.