Het proces om dierproeven te omzeilen bij wetenschappelijk onderzoek is een "ingewikkeld, kostbaar en tijdrovend" proces.

Dat blijkt uit een dinsdag gepubliceerd onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

De geneesmiddelenwetgeving belemmert het gebruik van alternatieven niet, maar stimuleert het ook nauwelijks, aldus het RIVM.

Alternatieven voor levende dieren inzetten is weliswaar toegestaan, maar dan moet eerst worden aangetoond dat deze dezelfde voorspellende waarde hebben als de dierproef. Dat proces is zo omslachtig, dat het nauwelijks rendabel is.

Omdat de overheid ernaar streeft zo min mogelijk dieren te gebruiken, onderzocht het RIVM of er binnen de bestaande Europese en Nederlandse wetgeving voldoende mogelijkheden zijn voor alternatieven.

Uit het onderzoek blijkt onder meer dat er een gebrek is aan alternatieve methoden die de dierproeven kunnen vervangen. Ook worden nieuwe alternatieve manieren niet altijd in alle landen geaccepteerd door registratieautoriteiten.

Internationale afstemming

Het RIVM pleit daarom voor meer internationale afstemming tussen registratieautoriteiten, wetenschappers en farmaceutische bedrijven. Ook zou er nog meer onderzoek moeten komen naar alternatieve methoden.