Keizerspinguïns op Antarctica hebben zwaar te lijden onder de koude omstandigheden in de afgelopen 30 000 jaar. Tijdens de laatste ijstijd hield slechts een zevende deel van de huidige populatie het uit.

Dat blijkt uit onderzoek van biologen van onder meer de University of Southampton en Oxford University in Groot-Brittannië. Het onderzoek staat beschreven in vakblad Global Change Biology.

De onderzoekers vergeleken historisch genetisch materiaal van de dieren met de genetische vingerafdruk van huidige exemplaren. Zo konden zij herleiden dat tijdens de laatste ijstijd slechts zo'n 85 000 keizerspinguïns op Antarctica leefden, ruwweg een zevende deel van de huidige 600 000 exemplaren.

De pinguïns waren waarschijnlijk in drie 'vluchtelingenpopulaties' verdeeld, waarvan een zich schuil hield in de Rosszee, een diepe baai in de Zuidelijke Oceaan bij Antarctica.

Open water

Klimaat luistert nauw voor de dieren die de winter broedend doorbrengen op vast zee-ijs, maar altijd ook afhankelijk zijn van de bereikbaarheid van open water om eten te zoeken.

Dat open water was moeilijk te vinden tijdens de duizenden jaren waarin de ijslaag op Antarctica veel groter was dan die nu is. De Ross Zee bood soelaas in de vorm van polinia's, wakken die ontstonden door sterke stromingen en heftige winden in de ongure baai.

Hoewel het huidige klimaat gunstig is voor het evenwicht tussen de beschikking over voedsel en over vast broed-ijs, bleek afgelopen zomer dat die balans fragiel is.

Tegen het jaar 2100 zal de populatie keizerpinguïns met een vijfde zijn afgenomen door opwarming van hun leefgebied, voorspelden onderzoekers in Nature Climate Change.