Een radioactieve pluim van de kernramp in Fukishima deed er twee jaar over om via de Stille Oceaan de kust van Noord-Amerika te bereiken, zo blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek. 

De radioactieve isotopen cesium-137 en cesium-134 die vrijkwamen bij de kernramp, waren in juni 2013 voor het eerst meetbaar voor de kust van de Canadese provincie British Columbia.

Het ging om een zeer kleine hoeveelheid: 1 Becquerel per kubieke meter. Dat wil zeggen dat in een kubieke meter zeewater gemiddeld één atoomkern per seconde radioactief verviel. 

Canadese wetenschappers melden deze bevindingen in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS.

Computermodellen

Computermodellen hadden al voorspeld dat radioactieve isotopen uit Fukushima door oceaanstromingen naar Noord-Amerika zouden worden gebracht.

Om te meten hoe snel de pluim van radioactieve deeltjes zich zou verplaatsen in het water, verrichten de onderzoekers regelmatig metingen voor de kust van British Columbia op verschillende plekken in zee.

Bij deze metingen verzamelden ze steeds 60 liter zeewater, die ze in hun laboratorium onderzochten op sporen van cesium-137 en cesium-134. 

In juni 2012 troffen ze de eerste sporen aan, maar alleen in zeewater dat zich 1500 kilometer voor de kust bevond. Een jaar later had de radioactieve pluim de kust pas bereikt.

Gevaren

Uit de metingen blijkt dat de radioactiviteit van het water waarschijnlijk pas in 2015 of 2016 zijn piek zal bereiken. Het zeewater voor de kust van British Columbia zal dan hooguit 5 Becquerel per kubieke meter bevatten.

Dat levert volgens hoofdonderzoeker John Smith nog altijd geen gevaren op voor mensen of dieren, zo verklaart hij in de krant Los Angeles Times. "Het niveau van het cesium zal ook dan nog onder het natuurlijke maximum blijven."