Analyse van het DNA van vroege Europeanen toont aan dat deze mensen tot vijfduizend jaar na de invoering van de landbouw, lactose-intolerant bleven.

Dat schrijven wetenschappers van verschillende universiteiten deze week in het tijdschrift Nature Communications.

Om hier achter te komen, analyseerden de onderzoekers het DNA uit het rotsbeen van vroege Europeanen. Het rotsbeen is een stukje schedel waar zich onder andere de gehoororganen en het evenwichtsorgaan bevinden.

Voor de studie werd het DNA onderzocht van dertien verschillende individuen die allen opgegraven werden uit de Grote Hongaarse Laagvlakte. Dit gebied staat bekend als een plek waar mensen in de prehistorie veelvuldig met andere culturen in aanraking kwamen.

De onderzochte skeletten stammen uit de vroege steentijd (5.700 voor Christus) tot de ijzertijd (800 voor Christus).

Rotsbeen

Een van de belangrijke punten van het onderzoek was dat de wetenschappers na jaren studie, eindelijk een onderdeel van het menselijk skelet konden aanwijzen dat DNA zo goed bewaart dat het nog steeds goed te bestuderen is.

De stukjes rotsbeen van de verschillende skeletten gaf tussen de 12 en 90 procent bruikbaar menselijk DNA prijs. Uit tanden of andere botten is dat percentage tussen de nul en 20 procent.

Door de hoge opbrengst aan bruikbaar DNA, kon de genetische verandering gedurende de vijfduizend jaar goed bestudeerd worden, waaronder de genetische kenmerken die aangeven of iemand lactose-intolerant is of niet.

Pigment

Ook zagen de wetenschappers dat de huid langzaam minder pigment ging bevatten nadat jagers en verzamelaars met boeren uit andere streken in aanraking kwamen.

Verrassend genoeg zorgde die menging met boeren niet voor versnelde tolerantie voor lactose. Ze waren dus, ondanks het houden van dieren zoals koeien, geiten en schapen, niet in staat om grote hoeveelheden melk te drinken.

De eerste genen die met lactose-tolerantie geassocieerd worden, komen pas rond duizend jaar voor Christus naar boven.