Neanderthalers jaagden vermoedelijk op duiven, zo blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek. 

De oermensen klommen mogelijk op steile kliffen om bij de nesten van de vogels te komen.

Vervolgens braadden ze de duiven in smeulende kolen en aten ze het vlees van de botten van de dieren.

Tot die conclusie komen onderzoekers uit Gibraltar in het wetenschappelijk tijdschrift Scientific Reports.    

Tanden

Hun publicatie is gebaseerd op de vondst van 1.724 botten van wilde duiven rondom Gorham's Cave, een grot aan de zuidoostkant van de Rots van Gibraltar waarin ooit Neanderthalers woonden. Op de resten van de vogels zijn snijsporen en de afdrukken van van tanden aangetroffen.

Sommige botten waren verkoold, alsof ze waren gebraden in de resten van een kampvuur.   

De botten van de duiven zijn opgegraven in afzettingen die 28.000 tot 67.000 jaar geleden bedolven raakten. Rond die tijd leefden er alleen Neanderthalers in het gebied.

Steenbokken

Volgens hoofdonderzoeker Clive Finlayson van het Gibraltar Museum moeten Neanderthalers over flink wat atletisch vermogen hebben beschikt om duiven te vangen.

"Ze worden gezien als te lomp om snel bewegende prooien te vangen", verklaart hij op nieuwssite New Scientist. "Maar wij weten al een tijdje dat ze soms op steile kliffen klommen om op steenbokken te jagen, dus misschien klommen ze ook naar richels waar duiven hun nesten bouwden."

"Mogelijk maakten ze zelfs strikken of netten van gras om de duiven te vangen, maar dat zullen we nooit weten omdat daarvan geen resten kunnen overblijven", aldus Finlayson.