Wilde apen die ten tijde van de kernramp in Fukushima in de buurt van de kernreactor leefden, hebben een lager gehalte aan witte en rode bloedcellen dan vergelijkbare apen in een ander Japans natuurgebied.

Dat tonen Japanse wetenschappers deze week aan in Scientific Reports.

Nadat Japan in maart 2011 werd getroffen door een tsunami, vond er een meltdown plaats in de kernreactor in Fukushima. Hierbij kwam radioactief afval vrij, waardoor de ongeving werd blootgesteld aan flinke doses straling.

De vraag is nu: in hoeverre heeft dit mensen en dieren die in de buurt vertoefden geschaad.

Uit onderzoek na de kernramp in Tsjernobyl was gebleken dat mensen die zich in het rampgebied hadden bevonden lagere aantallen bloedcellen hadden. Nog niet eerder werd een dergelijk effect van de straling bij apen aangetoond.

De Japanners deden daarom in april 2012 een bloedonderzoek bij makaken in een natuurgebied zeventig kilometer van de kerncentrale. Die populatie vergeleken ze met vergelijkbare apen die 400 kilometer ten noorden van de centrale leefden, op het Shimokita schiereiland.

Radioactief

De Fukushima-apen hadden een veel hoger gehalte aan radioactief cesium in hun bloed: 78-177 Bq/kg tegenover een ondetecteerbaar lage concentratie bij de Shumokita-apen.

Ook het aantal witte en rode bloedcellen was duidelijk lager bij de Fukushima-makaken: respectievelijk bijna twee keer zo laag en vijftien procent lager.

Dat de apen minder bloedcellen hebben, betekent niet per definitie dat ze ongezonder zijn. Echter, omdat rode bloedcellen een rol spelen bij het zuurstoftransport en witte bloedcellen bij het immuunsysteem, is het aannemelijk dat de apen zwakker en kwetsbaarder zijn. Of dit ook zo is, zal uit vervolgonderzoek moeten blijken.