Beleidsbeslissingen om emissies van broeikasgassen te verminderen worden vaak laat genomen, ondanks overtuigend bewijs voor de noodzaak ervan.

Door te wachten met maatregelen tot het moment dat iedereen direct het effect van extreme weersomstandigheden merkt, zullen zinvolle acties met tientallen jaren worden vertraagd.

Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers van het Carnegie Institution in Nature Climate Change.

Elk jaar zijn er plaatsen op aarde waar extreme hittegolven, grote hoeveelheden regen of orkanen de discussie over klimaatverandering aanwakkeren.

Deze discussies kunnen voldoende zijn om een kans te grijpen daadwerkelijk beleid te maken om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Helaas heeft niet iedereen tegelijk te maken met dezelfde grillen van het weer, waardoor dergelijk beleid uiteindelijk niet wordt doorgevoerd.

Grote gevolgen

De studie toont via modellen aan dat binnen vijftig jaar vrijwel elk land op aarde te maken gehad zal hebben met extreem weer. Alleen door de grote variatie in weerbeelden, ook binnen grote landen, is de kans dat extreem weer door iedereen tegelijk wordt ervaren, heel klein.

Als de bevolking geen verlaging van de uitstoot van broeikasgassen en andere pogingen om klimaatverandering tegen te gaan steunt, dan vertraagt de grote variatie tussen weerbeelden binnen een land en werelddelen het gevoel van de noodzaak.

De opgelopen vertraging voor het invoeren van maatregelen, kan dan grote gevolgen hebben, aldus de auteurs.

Keiharde wetenschap

Wetenschap zou regelgeving moeten leiden, niet de grillen van het weer. Op de nieuwssite van het Carnegie-instituut leggen de auteurs in een interview uit dat lokaal weer slechts anekdotische informatie oplevert, terwijl klimaatverandering keiharde wetenschap is.

"Goede politiek kan op een verhaal gebaseerd worden, maar goed beleid moet gebaseerd worden op gedegen wetenschappelijk onderzoek," besluiten de auteurs het interview.