Tijdens de steentijd in Scandinavië namen de in steeds groter getale aanwezige agrariërs de jager-verzamelaars langzaam in hun gelederen op, blijkt uit genetisch onderzoek.

De gegevensanalyse door wetenschappers aan twee Zweedse universiteiten verschijnt deze week in het tijdschrift Science.

In hun studie onderzochten de evolutionair biologen en archeologen de zogenaamde 'Neolithische transitie', de overgang van jagen-verzamelen naar landbouw en veeteelt, door te kijken naar het genetisch materiaal van zeven jager-verzamelaars en vier agrariërs.

De overblijfselen zijn tussen de 7.000 en 5.000 jaar oud en werden opgegraven in delen van Scandinavië en Gotland, een eiland in de Baltische zee.

Hun bevindingen laten zien dat de genetische verschillen tussen beide groepen groter zijn dan tussen moderne Europeanen, wat betekent dat het duidelijk verschillende populaties waren.

Andersom

Ook konden de onderzoekers aantonen dat genen wel van de jager-verzamelaars naar de agrariërs overerfden, maar niet andersom. Met andere woorden: een jager-verzamelaar kwam af en toe wel terecht in een boeren-samenleving, terwijl boeren geen jager-verzamelaar werden.

De genetische diversiteit tussen de jager-verzamelaars was ook significant kleiner dan bij de agrariërs, iets wat aangeeft dat de populatie jager-verzamelaars ook kleiner was.

Ook bevestigt de studie het vermoeden dat migratie zorgde voor het verspreiden van landbouw en veeteelt door Europa vanuit het oosten en zuid-oosten.