Een recente vondst van een grote goud- en zilverschat in het Limburgse dorp Echt werpt een nieuw licht op de ineenstorting van van het Romeinse gezag in Nederland, rond het jaar 411 na Christus. 

De schat die op een akker is gevonden, is de eerste in Nederland uit die tijd met een combinatie van gouden munten en zogenoemd hakzilver. Met die in stukjes geknipte zilveren schalen werden soldaten uitbetaald, en dat typeert een rijk in crisis.

Dat maakt de Vrije Universiteit van Amsterdam bekend in Venlo bekend na archeologisch onderzoek. De ook gevonden gouden munten zijn deels geslagen door keizer Constantijn III (407-411).

Ze waren ''stempelfris'' toen ze begraven werden, aldus de VU. De schat is in die tijd waarschijnlijk begraven na een nederlaag van de Romeinen.

Met name het hakzilver weerspiegelt volgens de VU de economische en militaire crisis van het Laat-Romeinse Rijk. Kostbare zilveren schalen werden in stukjes geknipt om als betaalmiddel te dienen. 

Alliantie 

Romeinen betaalden met de kostbare schalen Germaanse krijgsheren om zo een alliantie met hen te sluiten en verdere Germaanse invasies te voorkomen. De krijgsheren knipten de schalen in stukjes en betaalden er hun soldaten mee.

De Romeinse keizer Constantijn III probeerde de toenmalige Germaanse invasie in het gebied tussen Maas en Rijn te keren door met de geldbuidel te zwaaien en allianties met Germaanse krijgsheren te sluiten. Volgens de archeologen was de in Echt gevonden schat van een Germaanse officier die de kostbaarheden snel begroef, toen Constantijn III in 411 een nederlaag in Zuid-Gallië leed.