Woestijnmieren vertrouwen in hun zoektocht naar karkassen van spinnen en duizendpoten op hun neus. Door routes tegen de wind in te lopen, kunnen ze het voedsel op grote afstand ruiken.

Die ontdekking presenteren Duitse en Britse biologen donderdag in de online editie van Current Biology.

Mieren beschikken over uiteenlopende strategieën om aan voedsel te komen. Sommige jagen 'sociaal' en laten geursporen of andere aanwijzingen voor elkaar achter.

In de woestijn, waar de mieren van de soort Cataglyphis fortis leven, verwaaien die sporen snel. Om zo efficiënt mogelijk voedsel te vinden, maken ze intensief gebruik van hun reukorgaan. Daarmee kunnen ze karkassen van geleedpotigen die ze graag consumeren op meters afstand ruiken.

Echter, wanneer de wind de verkeerde kant opstaat, kunnen de mieren de hapjes niet ruiken, hoe dichtbij ook. Hier hebben ze een strategie op gevonden: ze leggen routes af waardoor ze steeds tegen de wind in komen te lopen.

Wanneer dat noodzakelijk is, lopen ze kleine stukjes met wind mee, maar al snel steken ze hun neus weer in de wind. Zo komen ze op de meest efficiënte wijze aan hun voedsel.