De kompassen waarmee Vikingen vermoedelijk navigeerden, waren waarschijnlijk ook 's avonds bruikbaar, zo blijkt uit nieuw onderzoek. 

De primitieve kompassen bevatten mogelijk speciale kristallen waarmee de positie van de zon kon worden bepaald, als die al achter de horizon was verdwenen. 

Deze kristallen maken ultraviolet licht zichtbaar dat normaal gesproken niet kan worden waargenomen door menselijke ogen.

Dat melden Hongaarse onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the Royal Society A.

Zonnewijzer

De wetenschappers verrichtten onderzoek op een rond stuk hout uit de elfde eeuw dat in 1948 werd ontdekt op Groenland en vermoedelijk dienst deed als zonnewijzer.

De Vikingen gebruikten het kompas waarschijnlijk in combinatie met transparante stenen, zo blijkt uit de vondst van diverse stukken kristal in eeuwenoude scheepswrakken.

Sommige kristallen splitsen zonlicht in patronen die ook ook bij slechte weersomstandigheden (mist, of regen) zichtbaar zijn voor het menselijk oog. 

Zonsondergang

De Hongaarse onderzoekers hebben nu aangetoond dat het kristal calciet zelfs ultraviolet licht zichtbaar kan maken dat nog in de lucht wordt uitgestraald na zonsondergang. Op basis van deze lichtpatronen zouden de Vikingen zelfs 's avonds en 's nachts de stand van de zon hebben kunnen bepalen. 

De wetenschappers slaagden er bij een test in om na zonsondergang met behulp van de houten zonnewijzer en kristal te bepalen waar het noorden zich bevond. 

Geholpen

Hun schattingen hadden wel een gemiddelde afwijking van vier graden. "Niet geweldig, maar deze methode zal de Vikingen zeker hebben geholpen", verklaart hoofdonderzoeker Balázs Bernáth op Fox News.    

Aangezien de Vikingen leefden in gebieden waar de zon in de zomer pas laat ondergaat en vroeg weer opkomt, konden ze waarschijnlijk een groot gedeelte van de nacht navigeren met behulp van de kristallen en zonnewijzers.