De drukverdeling onder Afrikaanse voeten komt overeen met de steun die een steunzool geeft. 

Dat ontdekte Niki Stolwijk tijdens haar onderzoek naar de beweging en drukverdeling onder de voet tijdens het lopen. Woensdag 26 maart promoveert ze op dit onderzoek aan het Radboudumc.

Naar schatting kampt 10 procent van de Nederlanders met voetklachten. In Afrika komen ze zelden voor.

Dat is opvallend, aangezien het voor Afrikaanse mensen veel gangbaarder is om grote afstanden te lopen. Bovendien lopen zij vaak op blote voeten of op versleten schoenen.

Plattere voeten

In haar onderzoek, dat zij uitvoerde vanuit de Sint Maartenskliniek, vergeleek Stolwijk een groep volwassenen uit Malawi en Nederland. Ze keek naar verschillen in de vorm van de voet en naar de afwikkeling en drukverdeling van de voet tijdens het lopen. Het blijkt dat Malawiaanse deelnemers een relatief platte voet hebben ten opzichte van de hollere voeten van Nederlanders.

Ook zag ze dat mensen uit Malawi hun middenvoet langer en hun voorvoet minder lang belasten tijdens de afwikkeling. Daarnaast hadden de Afrikanen tijdens het lopen een significant lagere druk onder de hiel en de voorvoet.

Voorvoet

"Deze bevindingen demonstreren dat er verschillen bestaan tussen Nederlanders en Afrikanen in de belasting van de voet en techniek van afwikkeling. Nederlanders belasten hun voorvoet veel meer en langer tijdens het lopen", zegt Stolwijk.

Het voordeel van de Afrikaanse voetbelasting is dat de druk gelijkmatiger verdeeld wordt over de voet. Dat kan voetklachten wellicht voorkomen.

Steunzolen

Het is opvallend dat de kenmerken van Afrikaanse voeten goed aansluiten op de huidige doelen in de behandeling van voetproblemen in het Westen: een gelijke drukverdeling nastreven door middel van steunzolen. Afrikanen hebben een groter oppervlak waarover ze de druk verdelen.

Stolwijk: "Steunzolen maken het voetoppervlak ook groter waardoor de druk gelijkmatig verdeeld wordt over de voet." Het in kaart brengen van informatie over de verdeling van druk onder de voet van mensen met en zonder voetklachten helpt behandelaars om de aard en de ernst van de klacht beter in te schatten. Om vervolgens ook beter en objectiever te kunnen vaststellen of de behandeling werkt.