Oermensen die twee miljoen jaar geleden in Oost-Afrika leefden, aten waarschijnlijk voornamelijk tijgernoten, zo blijkt uit een nieuwe studie.  

Tachtig procent van de dagelijkse voedselinname van de mensachtige Paranthrobus bosei bestond mogelijk uit tijgernoten, voedzame knolletjes die aan de wortels van de grasachtige plant Cyperus eccultenus groeien

Dit dieet vulden de primitieve mensen vermoedelijk aan met sprinkhanen en wormen.

Dat blijkt uit een studie van onderzoekers aan de Univeriteit van Oxford die is gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift PLOS One.

Verwarring

Mensachtigen van de soort Paranthrobus bosei beschikten over enorm sterke kaken. Toch bleek uit eerdere analyses van het enamel van hun tanden dat ze vooral grassen en zaden aten.

Dat leidde tot verwaring, omdat de voedingswaarde van grassen eigenlijk te beperkt is voor mensachtigen. Gabriele Macho van de Universiteit van Oxford besloot het dieet van de oermensen daarom nader te onderzoeken.   

Bavianen

Ze liet zich bij haar studie inspireren door bavianen in een Keniaans natuurgebied dat qua omgeving erg lijkt op het gebied waarin mensachtigen van de soort Paranthrobus bosei ooit leefden.

Al snel ontdekte ze dat de apen zich voornamelijk voeden met knollen die aan de wortels van de plant Cyperus eccultenus groeien en ook wel tijgernoten worden genoemd. Dit dieet vullen de dieren aan met kleine hoeveelheden sprinkhanen en wormen.

Volgens Macho is het waarschijnlijk dat oermensen in Oost-Afrika dezelfde eetgewoontes hadden. Ze berekende dat mensachtigen slechts enkele uren hoefden te besteden aan het zoeken en nuttigen van tijgernoten om 2000 kilocaloriën binnen te krijgen, oftewel tachtig procent van hun dagelijkse voedselbehoefte.  

Kaken

Het gekauw op de harde tijgernoten zou ook kunnen verklaren waarom Paranthrobus bosei in de loop van de evolutie zulke sterke kaken ontwikkelde.

"De theorie dat deze mensen op grote hoeveelheden tijgernoten leefden, kan het debat over wat onze voorouders aten in goede banen leiden", verklaart Macho op de nieuwssite van de Universiteit van Oxford.

"Dit onderzoek vertelt ons dat vroege  mensachtigen selectief waren bij het nuttigen van grassen, ze kozen de bollen die aan de basis van de grassprieten groeiden als de hoofdmoot van hun dieet."