Vondsten in Peru laten zien dat Zuid-Amerikanen al meer dan duizend jaar succesvol schedelboringen uitvoeren.

Dat schrijven Amerikaanse wetenschappers van de Universiteit van Santa Barbara deze week in de American Journal of Physical Anthropology.

De Amerikanen onderzochten schedels die ze opgroeven in het zuiden van Peru. De schedels komen uit de zogenaamde Late tussenperiode, die duurde ongeveer van het jaar 1000 tot 1450. Het is de periode voor de bloeitijd van de beroemde Inca’s.

In meerdere schedels troffen de wetenschappers boorgaten aan, die wijzen op hersenchirurgie. De behandelingen moeten zonder verdovende middelen zijn uitgevoerd, want die waren destijds nog niet beschikbaar daar.

Toch was minstens een deel van de operaties succesvol. Dat leidden de wetenschappers af uit het feit dat ze ook schedels vonden waarbij de gaten geheeld waren. Dat kan alleen als patiënten de operatie overleefden.

Opvallend was dat ze ook schedels vonden die na de dood voorzien waren van gaten. De Amerikanen vermoeden dat dit het werk is van chirurgen in opleiding, die oefenden op dode stamgenoten.

Volgens de onderzoekers gebruikten de Zuid-Amerikanen de schedelboringen onder andere om ernstige hoofdpijn te genezen.