Neanderthalers hadden waarschijnlijk net als moderne mensen het vermogen om te spreken, zo blijkt uit een computersimulatie.

Een botje in de hals dat bij moderne mensen de bewegingen van de tong aanstuurt tijdens het praten, werkte bij Neanderthalers op dezelfde manier.

Dat suggereert dat de oermensen het vermogen hadden om klanken te vormen die nodig zijn voor spraak.

Tot die conclusie komen Australische onderzoekers in het wetenschappelijk tijdschrift PLOS One

Hoefijzer

De wetenschappers bestudeerden het zogenoemde tongbeen, een hoefijzervormig botje in de hals, dat voorkomt bij moderne mensen, maar ook in enkele fossielen van Neanderthalers is aangetroffen.

Met een computermodel brachten de onderzoekers in kaart hoe het botje uit een specifiek Neanderthalerfossiel bewoog in relatie tot andere botten.

Uit de simulatie zou blijken dat het tongbeen van de oermensen geschikt was voor spraak en taal.

Het tongbeen van Neanderthalers leek niet erg op dat van moderne mensen. "Maar het werd wel op dezelfde manier gebruikt", verklaart hoofdonderzoeker Stephen Wroe op BBC News.

Menselijk

Wroe gelooft dan ook dat Neanderthalers een eigen taal hadden en qua gedrag meer op moderne mensen leken dan tot nu toe wordt aangenomen. 

"Veel onderzoekers stellen dat spraak en taal tot de eigenschappen behoren die ons tot mensen maken. Als Neanderthalers ook een eigen taal hadden, kunnen we ze meer beschouwen als echte mensen", verklaart Wroe op BBC News

De meeste wetenschappers gaan ervan uit dat gesproken taal ongeveer honderdduizend jaar geleden ontstond, maar alleen bij moderne mensen.

Wroe benadrukt dat zijn onderzoeksresultaten het tegendeel nog niet definitief bewijzen. "Maar ik denk wel dat ons werk veel specialisten zal overtuigen en de heersende mening zal doen kantelen."