Het gaat voorzichtig de goede kant op met de wilde dieren in Europa. Hun aantallen zijn in de afgelopen 50 jaar flink toegenomen en hun leefgebieden worden steeds groter. 

Dat is donderdag gebleken uit een onderzoek van onder meer het Britse dierkundige genootschap (ZSL) en Birdlife International.

Een van de soorten die aan een opmars bezig zijn, is de wisent, ook wel de Europese bizon genoemd. Door het jagen kwam de wisent 100 jaar geleden niet meer voor in het wild. Er waren alleen nog wat gevangen exemplaren. Die werden gefokt en de nakomelingen werden uitgezet in de natuur.

Nu zijn er ongeveer 3000 wisenten, vooral in Polen en Wit-Rusland. De wisent geldt nog wel als 'kwetsbaar’, maar het grootste gevaar is geweken.

Bever

Ook de bever, de witkopeend, de kleine rietgans en de brandgans maken het goed. Daar staat tegenover dat de Iberische lynx achteruitgaat.

De vooruitgang betekent niet dat de problemen voorbij zijn. Bij veel diersoorten zijn de populaties enorm gekrompen in de eerste helft van de 20e eeuw. ''Hoewel de soorten over het dieptepunt heen zijn, zitten veel nog steeds onder de historische niveaus. Ze zijn nog niet op het niveau dat nodig is om te garanderen dat ze ook op lange termijn blijven bestaan'', aldus het rapport.

Zeehond

In Nederland gaat het goed met de grijze zeehond en de gewone zeehond. De bever heeft het hier juist moeilijk. ''Een slechte leefomgeving lijkt het voortplantingssucces in de Biesbosch te beperken'', stellen de onderzoekers. Het aantal brandganzen in Nederland neemt af doordat ze worden geruimd. De vogels brengen de landbouw namelijk schade toe.

Bij de presentatie werd het rapport in ontvangst genomen door Europarlementslid Gerben-Jan Gerbrandy van D66. Hij laat in een reactie weten: ''Dit rapport laat zien dat er positieve resultaten gehaald zijn dankzij decennialange bescherming en keiharde inzet van natuurbeschermers. Maar één zwaluw maakt nog geen zomer.''