Plantenetende dinosauriërs vernieuwden hun gebit ongeveer één keer per maand, zo hebben Amerikaanse onderzoekers ontdekt. 

Elke tand in het gebit van plantenetende dinosauriërs maakte ongeveer eens in de 4 tot 8 weken plaats voor een nieuw exemplaar.

De Diplodocus vernieuwde zijn gebit het snelste. Op elke plek in zijn gebit groeide eens per 35 dagen een nieuwe tand aan. Bij de Camarasaurus ging het vernieuwingsproces iets langzamer: een tand werd gemiddeld eens in de 62 dagen vervangen.

Dat schrijven onderzoekers van de Stony Brook University in New York in het wetenschappelijk tijdschrift PLOS One.

Tandbeen

De wetenschappers kwamen tot hun bevindingen door het tandbeen van verschillende soorten sauropoda, oftewel plantenetende dinosauriërs, te bestuderen. Onder elke tand hadden de dieren een holte waarin drie tot vijf reservetanden zaten.

Door de sporen van nieuwe tandformaties in het tandbeen in kaart te brengen, kon worden ingeschat op welk tempo de dieren hun gebit vernieuwden. De wetenschappers vergelijken hun onderzoeksmethode met het tellen van ringen in een doorgezaagde boomstam om de leeftijd te bepalen.

Slijtage

"Een 30 meter lange plantenetende dinosauriër kreeg ongeveer eens per 30 tot 60 dagen een nieuwe tand op elke positie", verklaart hoofdonderzoeker Michael D'Emic op nieuwssite Physorg.com. "Soms ging er zelfs minder tijd overheen."

Sauropoda waren de grootste planteneters die ooit leefden op het land. Ze moesten waarschijnlijk gigantische hoeveelheden plantaardig materiaal eten, waardoor hun tanden snel sleten.

Het gebit van de sauropoda ving dat probleem op door regelmatig tanden te vernieuwen. "Het was meer gericht op kwantiteit dan kwaliteit", aldus D'Emic. "Het gebit van deze dieren werkte daarmee ongeveer tegenovergesteld aan het gebit van moderne zoogdieren."