Atleten die op jonge leeftijd zeer goed presteren, maken dit lang niet altijd op volwassen leeftijd waar. Echte toppers daarentegen rijpen vaak langzamer.

Dat concluderen sportwetenschappers van de Universiteit van Indianapolis op basis van een analyse van sportcarrières.

Ze presenteerden hun resultaten vrijdag op de jaarlijkse meeting van het American College of Sports Medicine in Indianapolis.

Ze bestudeerden de carrières van 65 mannelijke en 64 vrouwelijke finalisten van het WK atletiek voor junioren in 2000 en van evenveel atleten die deelnamen aan de Olympische Spelen in 2000.

Van de junioren brachten ze de carrière na het betreffende WK in kaart, van de Olympiërs twaalf jaar voor en na het evenement. Het ging om hardlopers, ver- en hoogspringers, discuswerpers en kogelstoters.

Kampioenen

Zowel bij de mannen als de vrouwen piekten de uiteindelijke toppers vrij laat. Zij waren dus meestal niet de kampioenen op de juniorentoernooien. Deze atleten maakten een veel grotere ontwikkeling door ten opzichte van hun jeugd dan de juniorentoppers.

In totaal won 23,6 procent van de op een juniorentoernooi aanwezige atleten uiteindelijk een medaille op de Olympische Spelen. Van de winnende Olympiërs was 29,9 procent ook al present op het juniorentoernooi.

Lichamelijke ontwikkeling

Wat de oorzaak is van deze discrepantie wordt uit de studie niet duidelijk. Het kan zijn dat toptalenten ten onder gaan aan de hoge verwachtingen, maar volgens de onderzoekers is het aannemelijk dat lichamelijke ontwikkeling een belangrijkere rol speelt. Wie trager ontwikkelt, rijpt uiteindelijk beter.

Dit vormt een uitdaging voor talentscouts, die geneigd zijn om in de jeugd te zoeken naar toppers. Als zij slim zijn, kijken ze vanaf de zijlijn net iets verder dan hun neus lang is, blijkt uit de studie.

Het inzicht is ook van belang voor overheden en organisaties die investeren in sport: het loont niet altijd om alleen in te zetten op de toppers uit de jeugd.