De oren van de eerste mensachtigen waren waarschijnlijk niet geschikt om spraak te horen. Dat blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek. 

De gehoorbeentjes van vroege mensenachtigen hadden zowel aapachtige als meer menselijke kenmerken.

Die mix van eigenschappen wijst er op dat de oren van onze verre voorouders niet gevoelig genoeg waren voor de waarneming van geluidsfrequenties waarop we nu spreken.

Dat melden Amerikaanse onderzoekers van de Birminghamton Universiteit in het wetenschappelijk tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Hamer

Bij hun onderzoek analyseerden de wetenschappers een complete set van drie miniscule botjes uit het middenoor van een Paranthropus, een rechtop lopende mensachtige die 2,5 tot 1 miljoen jaar geleden leefde.

Ook bekeken ze de incomplete resten van gehoorbeentjes van een Australopithecus, een mensachtige die tussen 4,3 en 2 miljoen jaar geleden op aarde voorkwam.

Bij beide soorten bleek het bovenste botje - de zogenaamde hamer - relatief klein, net als bij mensen. De andere twee botjes - het aambeeld en stijgbeugel - waren qua formaat meer vergelijkbaar met de gehoorbeentjes van primaten.

Gesproken taal

Dit suggereert dat vroege mensachtigen niet over een even geavanceerd gehoor beschikten als moderne mensen.  

Volgens hoofdonderzoeker Rolf Quam sluiten de bevindingen aan bij bestaande theorieën over het taalvermogen van de oermensen. "De meeste antropologen zijn van mening dat de eerste mensachtigen geen gesproken taal hadden", verklaart hij in het Britse tijdschrift New Scientist.

Door meer onderzoeken uit te voeren met de gehoorbotjes hoopt Quam binnenkort precies te kunnen reconstrueren wat de Paranthropus en de Australopithecus wel en niet konden horen, zo meldt Nature News.