Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) verwacht dat het niet lang duurt voordat het mogelijk is om voor het oog onzichtbare sporen op de plaats van een misdrijf bloot te leggen en te onderzoeken.

Onder de naam CSI Innovations zoekt het NFI naar wat directeur Tjark Tjin-A-Tsoi de heilige graal noemt. ''Het onderzoek op een plaats delict ziet er over 20, misschien 30 jaar heel anders uit’’, zegt Tjin-A-Tsoi maandag.

Dat forensisch onderzoek de laatste jaren een enorme vlucht vooruit heeft genomen, is voor velen geen geheim. ''Inmiddels zijn we in staat om met speciale apparatuur sporen te onderzoeken met een gewicht van 0,00000000005 gram. Het grote vraagstuk waar we nu voor staan is hoe we deze sporen op een plaats delict vinden’’, legt Tjin-A-Tsoi uit.

Het NFI deed daar onder de naam CSI The Hague al eens onderzoek naar en dat heeft inmiddels een vervolg gekregen in het project CSI Innovations. De onzichtbare sporen op een plaats delict zouden met behulp van sensortechnologie in kaart moeten worden gebracht.

''De technologie bestaat deels al, maar moet verder worden ontwikkeld voor forensisch onderzoek.''

Voordelen

Volgens de directeur zouden nieuwe onderzoeksmogelijkheden deuren openen voor forensisch onderzoekers. Want, zo zegt Tjin-A-Tsoi, het in kaart brengen van minuscule sporen biedt allerlei voordelen ten opzichte van het huidige sporenonderzoek op een plaats delict.

''Hoe meer sporen je hebt, hoe completer het beeld van wat zich precies heeft afgespeeld'', legt hij uit. ''Sporen vertellen niet alleen wie er bij is geweest, maar ook wat er is gebeurd. Iedereen laat sporen achter en alle handelingen laten sporen achter. Als je die allemaal in beeld hebt, kun je het afgespeelde verhaal navertellen.''