De hoeveelheid vaccins die kinderen tot hun tweede jaar krijgen, houdt geen verband met autisme.

Dat schreven onderzoekers van het Centre for Disease Control and Prevention, een overheidsinstantie van het Amerikaanse ministerie van gezondheid, gisteren in Journal of Pediatrics.

Hiermee ondergraven ze een van de argumenten die ouders aanvoeren om hun kind niet vaccineren of daarmee te wachten, namelijk dat de grote hoeveelheid antigenen in vaccins autisme zouden veroorzaken.

Antigenen zijn stoffen die onder meer in vaccinaties zitten en ervoor zorgen dat je immuunsysteem antilichamen gaat maken om een ziekte te bestrijden.

Analyse

De onderzoekers analyseerden 256 kinderen met autisme en 752 kinderen zonder autisme, en bepaalden hoeveel antigenen ze door vaccinaties hadden gekregen.

Ook bepaalden ze het maximale aantal antigenen dat een kind op dezelfde dag kreeg bij een vaccinatie. Daaruit bleek dat beide groepen kinderen - geboren tussen 1994 en 1999 - evenveel antigenen toegediend hadden gekregen. Ook bleek er geen verband tussen de hoeveelheid antigenen en het voorkomen van autisme.

Niet verrassend

Dit is niet verrassend, zeggen de onderzoekers. Kinderen krijgen immers de hele tijd antigenen binnen door bacteriën en virussen. Het is hen dus niet duidelijk waarom die paar extra antigenen in de vaccins van tegenwoordig het immuunsysteem zouden kunnen laten disfunctioneren.

Bovendien zaten er gedurende de jaren negentig duizenden verschillende antigenen in vaccins, terwijl dat nu maximaal 315 zijn.

In 2004 trok het toonaangevende vakblad The Lancet een artikel terug, omdat er bij nader inzien geen causaal verband aangetoond kon worden tussen vaccinaties en autisme.

Ondanks dit wetenschappelijk bewijs denkt een derde van de ouders dat er misschien toch een relatie is. Bijna een op de tien ouders vaccineert later of helemaal niet, omdat ze denken dat dat veiliger is.