De eerste vogels hadden geen twee maar vier vleugels. Dat zou blijken uit nieuw onderzoek van Chinese wetenschappers.

Sommige vogels die 121 tot 125 miljoen jaar geleden leefden hadden naast hun 'armvleugels' ook een set lange veren aan poten, die hen hielp bij het vliegen.

Vooral bij het maken van snelle manoeuvres maakten ze gebruik van deze ‘beenvleugels’, maar ook bij het winnen van hoogte kwamen de veren van pas.

Dat schrijven onderzoekers van de Chinese Academie van Wetenschappen in het wetenschappelijk tijdschrift Science.

Kraaien

Het is al langer bekend dat sommige vogelachtige dinosauriërs veren op hun achterpoten hadden, maar het was onduidelijk of ook de eerste echte vogels over gevederde poten beschikten.

De wetenschappers kwamen tot hun bevindingen na het bestuderen van 11 fossielen van vogels uit het Krijt, een geologisch tijdperk dat duurde van 145 tot 66 miljoen jaar geleden. Het gaat om relatief grote vogelsoorten, groter dan kraaien, maar kleiner dan ganzen.

Op de hielen van de primitieve vogels werden resten van veren aangetroffen met een lengte van twee tot vijf centimeter.

"We geloven dat deze vleugels werden gebruikt bij het vliegen", verklaart hoofdonderzoeker Xing Xu op nieuwssite Physorg.com.

Partner

Volgens de onderzoekers verbeterden de veren door hun schikking de aërodynamische houding van de vogels in de lucht. Ook zouden de 'beenvleugels' het winnen van hoogte en het uitvoeren van snelle manoeuvres makkelijker hebben gemaakt.

Over de functie van de veren bestaat echter onenigheid. Volgens andere wetenschappers hadden de gevederde poten van de vogels mogelijk een heel ander doel, zoals het aantrekken van seksuele partners.