Neanderthalers stierven mogelijk uit door hun onvermogen om kleine prooien zoals konijnen te vangen. Dat beweren Britse wetenschappers in een nieuwe studie.

Bij de jacht richtten Neanderthalers zich voornamelijk op grote dieren, zoals bizons en herten.

Toen deze soorten in aantal terugliepen, slaagden de oermensen er waarschijnlijk niet in om over te schakelen op kleinere prooien zoals konijnen.

Dat was mogelijk een van de redenen waarom Neanderthalers uitstierven, zo beweren archeologen van het Durrell Wildlife Conservation Trust in Jersey in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Human Evolution.

Skeletten

De onderzoekers brachten skeletten in kaart van verschillende diersoorten, die zijn gevonden in grotten in Frankrijk en Spanje. 

Uit het onderzoek bleek dat er tot 30.000 jaar geleden vaak karkassen van bizons, herten en paarden belandden in grotten waar mensen leefden. In de periode daarna liepen de aantallen van deze grote dieren terug en namen de bewoners vaker konijnen en andere kleine dieren mee naar hun grotten.

Veranderend dieet

Deze omslag in het dieet van oermensen viel samen met het uitsterven van de Neanderthalers. De wetenschappers vermoeden daarom dat Neanderthalers er in tegenstelling tot de voorouders van moderne mensen niet in slaagden om het gebrek aan grote prooien te compenseren met de vangst van kleinere dieren zoals konijnen.

Waarom Neanderthalers moeite zouden hebben gehad met het vangen van konijnen, is onduidelijk.

In het Britse weekblad New Scientist suggereert hoofdonderzoeker John Fa dat de primitieve mensen minder goed konden samenwerken dan moderne mensen, die konijnen mogelijk gezamenlijk uit hun hollen jaagden.