AMSTERDAM – Wie zijn brein analytisch gebruikt, onderdrukt zijn sociale vermogens en vice versa.

Dat verklaart waarom ook heel intelligente mensen gemakkelijk zijn op te lichten en waarom bij complexe vraagstukken de menselijke kant vaak onderbelicht blijft.

Psychologen van drie Amerikaanse universiteiten publiceren de bevinding deze week in de online editie van Neuroimage.

Ze onderwierpen 45 studenten in een MRI-scanner aan een serie taken die een van twee vermogens aansprak: het zich kunnen verplaatsen in anderen en het inschatten van de eigenschappen van objecten.

Uit de MRI-beelden bleek dat de sociale problemen de hersengebieden deactiveerden die voor analytische vraagstukken nodig waren en andersom gold hetzelfde. Dit lijkt logisch, omdat het brein die gebieden niet nodig heeft, maar de activiteit in de onderdrukte gebieden was nog lager dan in rustfase, tussen de taken door.

Niet tegelijk

Het lijkt er niet op dat het brein alleen óf empathisch, óf analytisch werkt, maar dat de twee niet tegelijk optimaal kunnen functioneren. Dit zou kunnen verklaren waarom bij mensen met autisme het analytisch vermogen relatief vaak goed ontwikkeld is. Het wordt niet in de weg gezeten door empathie.

Omdat de onderzoekers geen taak voorschotelden die zowel maximale sociale als analytische vaardigheden vergde, konden ze niet aantonen of of de twee naast elkaar goed kunnen functioneren of dat de een de ander harder onderdrukt dan de ander. Ook konden ze niet naar onderlinge verschillen kijken, daarvoor hadden ze te weinig deelnemers.

Wisselen

De onderzoekers benadrukken dat het goed mogelijk is om te wisselen tussen de twee systemen, en raden dat ook aan. Veel mensen vertrouwen volgens hen te veel op een van de twee systemen.