UTRECHT – De relatieve hersenomvang wordt eerder bepaald door verandering in lichaamsgrootte dan door groei of krimp van de hersenen zelf.

Dat schrijven onderzoekers onder leiding van University College London in wetenschapsblad PNAS.

Tot nog toe namen wetenschappers aan dat evolutionaire druk ervoor zorgde dat de hersenen zelf in omvang veranderden.

Ook in de geschiedenis van aapachtigen blijkt het meestal groei of krimp van het lichaam in plaats van de hersenen zelf, die heeft geleid tot veranderingen in relatieve hersenvolume, stellen de wetenschappers.

Overleven

Zowel roof- als prooidieren hebben in de strijd voordeel van een groter lichaam. Grotere individuen overleven hierdoor makkelijker, zodat ‘evolutionaire druk’ bestaat om het lichaam te laten groeien.

In tijden van schaarste heeft deze druk vaak een tegengestelde richting: individuen met een relatief klein lichaam hebben een kleinere energiebehoefte – en hoeven dus minder voedsel te vinden om te overleven.

Geschiedenis

Voor de nieuwe studie hebben onderzoekers de lichaamssamenstelling van honderden moderne en uitgestorven soorten met elkaar vergeleken – om een ontwikkelingsgeschiedenis te reconstrueren over miljoenen jaren.

Primaten en op land jagende carnivoren hadden sterk varierende lichaamsomvang bij relatief constante hersenmaat. Alleen bij vleermuizen vonden de onderzoekers een snelle toename van het hersenvolume ten opzichte van de lichaamsgrootte.

Dankzij hun relatief grote hersenen kunnen moderne vleermuizen een feilloos systeem voor echolocatie combineren met grote motorische wendbaarheid.

Intelligentiemaat

Wetenschappers hanteren de verhouding tussen het volume van de hersenen en de omvang van het verdere lichaam als een indicatie voor de intelligentie van een soort. Zo heeft een mens relatief grotere hersenen dan een olifant.

De studie heeft niet onderzocht of een toename van de relatieve hersengrootte door een krimp van het lichaam bij soorten ook daadwerkelijk leidt tot een toename van intelligentie.