AMSTERDAM - Het bloed van zwangere muizen blijkt speciale cellen te bevatten die zorgen dat de ongeboren baby niet wordt afgestoten door het afweersysteem van de moeder.

Dat opent de weg naar vaccins tegen zwangerschapscomplicaties. Dit schrijven onderzoekers van de Universiteit van Minnesota vandaag in Nature.

Een ongeboren baby krijgt de helft van zijn DNA van de vader. Dat wekt een afweerreactie op bij de moeder. Toch stoot het lichaam van de moeder de baby niet af. Dat komt doordat het afweersysteem van de moeder wordt onderdrukt door bepaalde afweercellen, zogenoemde T-remmercellen.

Dat heeft wel als nadeel dat de moederlijke afweer tegen infecties afneemt.

Aanval

De onderzoekers ontdekten nu bij moedermuizen cellen die alleen de aanval op weefsel van muizenbaby´s onderdrukken, zogenaamde foetus-specifieke T-remmercellen.

Ze ontdekten dat het aantal van deze cellen steeg tijdens de muizenzwangerschap en verhonderdvoudigde tijdens de bevalling. Belangrijker nog: na de bevalling bleven deze cellen in kleine hoeveelheden aanwezig in het bloed van de moedermuizen. Bij een tweede zwangerschap van dezelfde vadermuis vermeerdere het aantal T-remmercellen snel.

Bij mensen wordt gedacht dat sommige vormen van vroeggeboorte en zwangerschapscomplicaties, waaronder zwangerschapsvergiftiging, samenhangen met het ontsporen van de afweerreactie tegen de baby.

Geheugen

De onderzoekers denken dat het gevonden ‘geheugen’ van T-remmercellen zou kunnen verklaren waarom dergelijke complicaties minder vaak voorkomen bij een tweede zwangerschap van dezelfde vader dan bij een eerste.

Ze denken zelfs dat de T-remmercellen in de toekomst gebruikt zouden kunnen worden om een vaccin te maken tegen deze complicaties. Dat is bijzonder, want normaal stimuleren vaccins het afweersysteem juist om áán te vallen.