AMSTERDAM – Slangen zijn niet in het water, maar op het land geëvolueerd. Dat stellen Amerikaanse onderzoekers op basis van de analyse van een zeventig miljoen jaar oud slangenfossiel. 

De Amerikaanse geologen en evolutiebiologen van de universiteiten van Harvard en Yale presenteren hun analyse van deze 'overgangsslang' woensdag in Nature. 

De in Noord Amerika levende landslang Coniophis precedens beschikte over een slangenlijf, maar had een kop die meer lijkt op die van een hagedis – met name vanwege de stijvere kaken. De slang, die te zien is in het paleontologisch museum van de Universiteit van Californië, was al eerder bestudeerd, maar niet zo uitgebreid als nu.

Op basis van die observatie concluderen de onderzoekers dat de slang in de loop der evolutie eerst een slangenlijf en daarna pas een slangenkop ontwikkeld heeft.

Gegleden

Omdat er geen oudere fossielen van zeeslangen gevonden zijn en deze slang zich hoogstwaarschijnlijk in water niet goed kon voortbewegen, denken de onderzoekers dat de slang op het land van de hagedis is afgesplitst. Sommige soorten zijn vervolgens terug het water in gegleden.

Experts voeren al decennia lang discussie over de vraag of slangen in de loop der evolutie in zee of op het land hun karakteristieke lijf ontwikkelden. In de tijd dat Coniophis leefde, waren er nog niet veel slangensoorten. Gezien de kleine mond en kaken, joeg hij waarschijnlijk op kleine prooien. Waarschijnlijk leefde hij voornamelijk in holen.

Volgens de onderzoekers gaf de evolutie van van de flexibele slangenbek het ontstaan van veel nieuwe slangensoorten een impuls. Die ontwikkeling maakte de jacht op grotere prooidieren mogelijk. Inmiddels zijn er rond de 3000 slangensoorten op aarde.