AMSTERDAM - Berekeningen door Harvard-wetenschapper Avi Loeb laten zien dat de beste tijd om het heelal te bestuderen meer dan dertien miljard jaar achter ons ligt.

Vijfhonderd miljoen jaar na de oerknal waren de omstandigheden voor de nieuwsgierige wetenschapper het best. Vanaf dat moment is steeds meer informatie verloren geraakt. Het huidige heelal, met al zijn sterrenstelsels en clusters, is 13,7 miljard jaar oud.

Die grote structuren zijn begonnen als kleine rimpelingen in de materieverdeling kort na de oerknal, toen het heelal veel kleiner was dan nu. Door naar de huidige kosmische structuren te kijken, kunnen we nog veel te weten komen over de beginomstandigheden in het heelal. Maar niet zo veel als dertien miljard jaar geleden.

Twee factoren

Dat komt door een combinatie van twee factoren, die elkaar tegenwerken. Gunstig is dat met het verstrijken van de tijd het licht van steeds verder weg gelegen delen van het heelal bij ons aankomt. Daar staat tegenover dat de kosmische materie mettertijd steeds meer is gaan samenklonteren tot sterrenstelsels en clusters.

Hierdoor vertroebelt het zicht op de kleinschalige onregelmatigheden in de materieverdeling, waaruit deze grote structuren zijn ontstaan. De berekeningen van Loeb laten zien dat 500 miljoen jaar na de oerknal het beste moment was om deze kosmische rimpelingen te bestuderen.

Dat is niet toevallig het tijdperk waarin de eerste sterren en sterrenstelsels ontstonden: zij waren immers de oorzaak van de latere 'vertroebeling'. De informatie uit die tijd is overigens nog niet helemaal verloren geraakt. De radiostraling die waterstofgas - het belangrijkste bouwmateriaal van sterren - destijds uitzond is in principe waarneembaar met de komende generatie van geavanceerde radiotelescopen.