AMSTERDAM – Goede daden komen bij atheïsten, agnosten en minder strenggelovigen voort uit medeleven, bij streng religieuzen uit doctrine of angst voor reputatieschade.

Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers van de Universiteit van Berkeley in Social Psychological and Personality.

De wetenschappers deden een drietal sociale experimenten met honderden vrijwilligers.

In een van die onderzoeken moesten de deelnemers eerst naar een video kijken die al dan niet een meelevende emotie opwekte. Vervolgens kregen ze geld, waarvan ze een deel aan een onbekende moesten geven.

In een ander experiment kregen de vrijwilligers geld van onbekenden en werd er gekeken of de deelnemers bereid waren de winst uit een spel dat met dat geld werd gespeeld, nadien te delen met de gever van het geld.

Morele verplichting

In alle gevallen bleek dat strenggelovigen minder genereus waren dan hun atheïstische, agnostische of mindergelovige tegenhangers. Bovendien bleek dat de minder of niet-gelovigen genereuzer werden als er meelevende emotie was opgewekt.

Dat gebeurde niet bij strenggelovigen. Bij hen bleek generositeit niet opgewekt te worden door medeleven, maar meer door een morele verplichting die voortkomt uit bijvoorbeeld een religieuze doctrine. Ook angst voor reputatieschade speelt bij hen een rol.