AMSTERDAM - De superzware zwarte gaten in de kernen van sterrenstelsels groeien in de loop van de tijd door passerende dubbelsterren uiteen te rukken. 

 Daarbij verdwijnt één component van de dubbelster in het zwarte gat, terwijl de andere met hoge snelheid het sterrenstelsel uit wordt geslingerd.

Dat is in ieder geval de conclusie van een theoretische studie van Ben Bromley van de Universiteit van Utah en zijn collega's, die vandaag gepubliceerd is in Astrophysical Journal Letters.

Bromley deed eerder onderzoek aan hypersnelle sterren, die aan de zwaartekracht van het Melkwegstelsel ontsnappen. Modelberekeningen laten nu zien dat zulke hypersnelle sterren kunnen ontstaan wanneer ze oorspronkelijk deel uitmaakten van een dubbelstersysteem dat te dicht in de buurt kwam van het superzware zwarte gat in de kern van het Melkwegstelsel.

Melkwegkern

Door waarnemingen aan de Melkwegkern te combineren met theoretische berekeningen, leiden de astronomen af dat het centrale zwarte gat gemiddeld eens in de duizend jaar een dubbelster uit elkaar rukt.

Die frequentie komt goed overeen met het waargenomen aantal hypersnelle sterren. In tien miljard jaar zou het superzware zwarte gat op die manier op deze manier gemakkelijk zijn huidige massa van enkele miljoenen zonsmassa's bereikt kunnen hebben.