AMSTERDAM - Met een telescoop in New Mexico zijn metingen verricht aan de mysterieuze donkere energie van de lege ruimte, die verantwoordelijk gehouden wordt voor de snelle uitdijing van het heelal.

De ontdekking van die versnellende uitdijing, in 1998, leverde in 2011 de Nobelprijs Natuurkunde op.

In de afgelopen zes jaar is van ruim een miljoen sterrenstelsels in het heelal, tot op afstanden van zo'n zes miljard lichtjaar, de positie en de afstand gemeten met de 3,5-meter telescoop van de Sloan Digital Sky Survey.

Vingerafdruk

Op die manier kon de driedimensionale verdeling van de sterrenstelsels worden vastgelegd. Die ruimtelijke verdeling bevat een soort 'vingerafdruk' van de omstandigheden die kort na de geboorte van het heelal heersten, zoals de relatieve hoeveelheden zichtbare materie, donkere materie en donkere energie.

Vandaag worden op de Brits/Duitse National Astronomy Meeting in Manchester de resultaten gepresenteerd van de eerste anderhalf jaar van dit BOSS-programma, met informatie over een kwart miljoen sterrenstelsels.

Details

Details zijn te vinden in zes vakpublicaties die vandaag gepubliceerd worden op internet. De precisiemetingen laten zien dat er kort na de oerknal een soort 'dichtheidsgolven' in het heelal zijn geweest, met als resultaat dat de huidige verdeling van sterrenstelsels en clusters niet volstrekt willekeurig is, maar een voorkeur vertoont voor een afstandsschaal van ca. 500 miljoen lichtjaar.

De resultaten van het BOSS-programma zijn goed in overeenstemming met eerdere waarnemingen, maar ze reiken tot veel grotere afstanden in het heelal.

Op die afstanden kijken sterrenkundigen terug tot het moment waarop de invloed van de donkere energie op de uitdijing van het heelal groter begon te worden dan de invloed van de zwaartekracht - anders gezegd: de periode waarin de uitdijing van het heelal begon te versnellen.